Spring naar inhoud

Sermoen van Kanunnik D’Hoop: Over de liefde van Jezus’ Hart

Feest van het H. Hart van Jezus

Niemand heeft groter liefde dan deze die zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joan. XV, 13).

Zo sprak de Zaligmaker tot zijn geliefde leerlingen, op het ogenblik dat Hij zich bereidde hun het grootste teken te geven van zijn liefde, toen Hij, namelijk, niet alleen zijn leven ten beste ging geven voor de verlossing der wereld, maar zijn eigen Vlees en Bloed, als een kostelijk erfdeel, aan de mensen schonk, om tot het einde der wereld geslachtofferd te worden. En wat zei Hij over tweehonderd jaar, wanneer Hij te Paray-le-Monial aan de ootmoedige Margareta-Maria verscheen? “Ziehier dit Hart”, sprak Hij, “dat de mensen zó bemind heeft!”

Ja, het H. Hart van Jezus heeft ons bemind van het eerste ogenblik dat het gevormd en met zijn ziel in de gebenedijde schoot van Maria verenigd is geweest. Jezus heeft ons bemind in zijn geboorte, als Hij zijn eerste tranen gestort en zijn eerste druppelen bloed voor ons vergoten heeft. Hij heeft ons bemind in zijn verborgen leven, toen Hij, onbekend aan de wereld, als een arme werkman in het zweet zijns aanschijns arbeidde, terwijl zijn H. Hart gedurig naar de zaligheid der zielen verlangde. Hij heeft ons bemind in zijn openbaar leven, als Hij gedurende de dag steden en dorpen doorliep om aan de mensen de zalige leer te verkondigen en de weg des Hemels te tonen, en ganse nachten op de bergen zijn hart uitstortte in het gebed dat Hij voor ons aan zijn Hemelse Vader deed. Hij heeft ons bemind in zijn bitter lijden, als Hij voor ons alle verdriet en smarten naar ziel en lichaam uitstond, en zijn laatste druppel bloed op het Kruis liet vloeien. Hij heeft ons bemind in zijn dood, als Hij, vooraleer te sterven, uitriep dat Hij dorst had naar de zaligheid der zielen; en vooral als Hij, het hoofd buigende, uitgalmde dat alles tot onze verlossing volbracht was. Hij heeft ons bemind tot na zijn dood, daar Hij toeliet dat de speer van een soldaat zijn zijnde doorstak, en zijn Hart opende, om ons daarin als het ware, een veilige schuilplaats te bereiden. En nu dat Hij, met zijn glorieus lichaam in de Hemel verheven, aan de rechterhand zijns Vaders zit, verzadigd van al de wellusten des Hemels, nu nog bemint Hij ons, zoals de H. Paulus zegt: “Hij leeft in eeuwigheid om voor ons ten beste te spreken” (Heb. VII,25).

En nochtans, beminde parochianen, vrees ik niet te zeggen dat het H. Hart van Jezus ons nergens meer bemind heeft, en nergens meer tekens van liefde geeft, dan in het Allerheiligste Sacrament des Altaars, bij zover dat de H. Joannes geen andere uitdrukking kon vinden om die liefde te betekenen dan dit gekende woord: In finem dilexit eos – Hij beminde hen tot het einde toe (Joan. XIII, 1). Niet alleen tot het einde van zijn leven, maar tot het einde der eeuwen, of gelijk de H. Dionysius zegt: “Tot de uiterste palen van zijn liefde.” Wij zullen dus, in deze aanspraak, tezamen overwegen:

I. Hoe groot de liefde van Jezus’ Hart voor ons is;

II. Welke wederliefde wij aan dit minnelijk Hart verschuldigd zijn.

I. Hoe groot is de liefde van Jezus’ Hart voor ons?

1° Zijn eigen leven, en, derhalve, het dierbaarste dat men op aarde bezit, voor zijn vrienden opofferen, is ontegensprekelijk, het grootste bewijs dat iemand van zijn liefde geven kan. Gij hebt het gehoord uit de mon van Jezus zelf, die voor ons gestorven is. En, om deze waarheid klaar te doen uitschijnen, schrijft de H. Paulus tot de Romeinen (Rom. V, 7-6): “Bezwaarlijk toch, zegt hij, sterft iemand voor een rechtvaardige; want voor de weldoener heeft iemand misschien nog wel de moed van sterven.

Maar zijn leven ten beste geven voor een boze, en sterven voor zijn vijand, ach! Dit was aan de liefde van een Godmens alleen voorbehouden! “God verheft zijn liefde jegens ons daardoor, dat Christus, toen wij nog zondaars waren, te zijner tijd, voor ons gestorven is.”

Doch Jezus’ liefde gaat verder. Eéns sterven voor de zondaars, ééns zijn Bloed vergieten op het schandig hout des Kruises, ééns zich slachtofferen aan de Hemelse Vader als het Lam beladen met al de zonden der wereld, dit schijnt de overmaat te zijn van liefde! En toch was dit niet genoeg voor het Hart van Jezus! In zijn almogende wijsheid heeft Hij het middel gevonden om niet ééns, maar dagelijks, ja, honderdmaal daags, zelfs altijd en overal, dit Offer te vernieuwen, om zo voortdurend als het ware te sterven, voortdurend zich te slachtofferen. “Van zonsopgang tot zonsondergang“, zegt de profeet Malachias (Mal. 1,11), “op alle plaatsen, wordt in mijn Naam geslacht en geofferd een reine slachtofferande“, zodat wij volgens de gelijkenis van een godvruchtige schrijver, mogen zeggen dat onze aardbol in de uitgestrektheid van het uitspansel, ons voorkomt als een reusachtig wierookvat, uit het welk nacht en dag het aangenaam reukwerk van het Offer der Nieuwe Wet tot behoudenis der wereld ten Hemel opstijgt. Het is dus in het allerheiligste Offer der Mis dat Jezus dagelijks al de werkingen van zijn milde liefde vernieuwt!

Ach, beminde parochianen, waar is onze erkentenis en onze wederliefde? En hoe kunnen wij nalaten dit H. Misoffer bij te wonen? Doen wij dan al wat mogelijk is om dagelijks de H. Mis te horen, en dáár onze smekingen met die van onze welbeminde Zaligmaker te verenigen.

2° Doch, de liefde van Jezus heeft nog andere geheimen! Het is in het H. Sacrament des Altaars dat dit goddelijk Hart, niet in een afbeelding, maar wezenlijk verblijft en van liefde tot ons voortdurend klopt! Dáár wacht het nacht en dag op ons, om met ons te spreken, ons gebed te aanhoren, onze tranen af te drogen, onze wonden te helen, en onze harten te troosten. Het is dáár dat dit Hart zich opent, opdat wij erin zouden treden; of liever, het is dáár dat Jezus ons het voorrecht geeft Hem, door de H. Communie, in ons hart te mogen ontvangen.

3° In het H. Sacrament bewerkt het H. Hart van Jezus de grootste wonderen, niet alleen van almacht en liefde, maar tevens ook van vernedering en ootmoedigheid; want tot het instellen van dit H. Sacrament was het nodig al de wetten der natuur om te keren. En inderdaad, zijn H. Lichaam tegenwoordig stellen onder de gedaante van brood en wijn, op duizenden plaatsen tegelijk verblijven, op de aarde verschijnen zonder de Hemel te verlaten, zijn glorie en majesteit verschuilen onder de gedaante van een kleine Hostie, onbederfelijk en onveranderlijk blijven onder bederfelijke speciën, die men kan breken zonder dat Hij gebroken worde, ja dit eiste een macht groter dan die der schepping!

En waar zullen wij een liefde vinden die de liefde van Jezus’ Hart evenaart? Een God, aan wiens macht niets weerstaat, gehoorzaam aan de stem van een mens, misschien een zondaar; een God voor wie de Hemelen noch groot noch schoon genoeg zijn, voor wiens aanschijn zon en hemellichten hun glans verliezen, zich gewaardigt in een nederig, misschien onzindelijk Tabernakel te wonen, in het hart van armen, van zieken en van melaatsen neer te dalen: ach! de liefde alleen, en de liefde van een God alléén, was bekwaam om zulke wonderen te plegen!

4° Ja, ik mag nog meer zeggen: het is daar, beminde parochianen, dat Jezus’ minnend Hart zich, tot het einde der wereld, aan de ondankbaarheid der schepselen blootstelt. Als de mensen enig goed werk doen, zien zij, doorgaans genomen, naar het voordeel dat zij eruit kunnen trekken. Jezus echter, vóór wiens ogen het verleden, het tegenwoordige en het toekomende even openstaan, zag van het eerste ogenblik, al hetgeen Hem te lijden stond, in het H. Sacrament, dit Geheim zijner liefde! Ook bij het instellen van dit Sacrament, ontstond er wellicht in zijn menselijk Hart een strijd tussen de vrees en de liefde. Maar, zegt de H. Geest (Hoog. VIII, 7): “De overvloedigste en de bitterste wateren hebben de vlammen zijner goddelijke liefde niet kunnen uitdoven, noch de stromen haar kunnen overrompelen.” De liefde heeft gezegevierd!

Noch de eerste steek in zijn H. Hart door de heiligschennis van de ontrouwe Judas, noch de ondankbaarheid der Joden, noch de loocheningen der ongelovigen, noch de spot der ketters, noch de beledigingen der goddeloze Christenen, noch de onverschilligheid der godvruchtige personen, niets heeft Hem kunnen tegenhouden om ons zijn Hart geheel en gans ten beste te geven in het H. Sacrament!

II. Welke wederliefde zijn wij aan Jezus’ minnend Hart verschuldigd?

Gij zoudt u deerlijk bedriegen moest gij denken dat het Hart van Jezus aan deze ondankbaarheid der mensen ongevoelig is. Is het daarom niet dat Hij klaagde aan zijn getrouwe Bruid, Margareta-Maria Alacoque? En, hetgeen u misschien zal verwonderen, het zijn de grootste schelmstukken der ongelovigen niet, noch de zonden der booswichten die Hem de pijnlijkste wonden toebrengen; maar veeleer de lauwheid en de onverschilligheid van deze zielen die Hem toegewijd zijn, of die tenminste beweren zijn vrienden te zijn. is het daarom niet dat Christus, door de mond van de profeet David, deze klaagwoorden uitte: (Ps. LIV, 5, 13-15): “Mijn hart is ontroerd in mijn binnenste, en dodelijke schrik heeft Mij gehoond, Ik zou het verdragen; en had mijn hater zich tegen Mij verheven, Ik zou Mij voor hem verbergen. Maar gij, o mens, gezind gelijk Ik, mijn leidsman en mijn vertrouweling; gij die aangenaam met Mij samen at, met wie Ik in dezelfde gemoedsgesteltenis het Huis van God bezocht, waarom toch moest gij, mijn vrienden, Mij door uw onverschilligheid verdriet aandoen, en mijn smarten verbitteren? De kleine beledigingen van een vriend grieven pijnlijker dan de grove laster van een vijand!”

Verstaat gij nu wat Jezus aanzette om ons zijn H. hart kenbaar te maken? Verstaat gij nu, hoe Hij ons aanwakkert om een nieuwe hulde aan zijn liefde te brengen door het inrichten van een nieuwe godsvrucht ter ere van het H. Hart? Daartoe immers, moedigt Hij ons aan door de milddadigste beloften van genade, vrede en troost aan al diegenen die zijn H. hart met ijver zullen vereren. Doch, de plechtigste van al deze beloften is deze: “In de overmaat der barmhartigheid van mijn Hart, beloof Ik dat mijn almogende liefde zal verlenen aan al diegenen die negen opeenvolgende vrijdagen der maand zullen communiceren, de gratie van boetvaardigheid op hun uiterste; ik beloof dat zij noch in zonde, noch zonder HH. Sacramenten zullen sterven, en dat mijn Hart hun een zekere schuilplaats zal wezen.”

Gij ziet dus, beminde parochianen dat deze grote oefening der godsvrucht tot het H. Hart deze die best geschikt is om onze wederliefde te tonen, die Communie is van de eerste vrijdag der maand.

De vrijdag immers, is de dag van de grote strijd en van de grote zegepraal. Het is op een vrijdag dat Jezus’ handen en voeten doorboord zijn, om ons met bloedige letters als het ware, in zijn wonden te schrijven; het is op een vrijdag dat zijn Hart geopend is, om ons tot schuilplaats te dienen; het is op een vrijdag dat Jezus zijn testament tekende. En wat liet Hij ons achter? Maria voor Moeder, en het Bloed van zijn Hart voor losgeld! Het is op een vrijdag dat de dood overwonnen werd, dat het voorgeborchte der Hel door de komst van de Verlosser veranderd werd in een Paradijs, en dat Lucifer, voor de eerste maal sedert de val van Adam, op zijn troon begon te beven! Jezus heeft derhalve, de vrijdag verkozen om de schatten zijner genaden over de vrienden van zijn H. Hart uit te storten.

O, beminde parochianen, mochten wij zo gelukkig zijn als de Apostelen, die uit de mond van hun Meester deze woorden vernamen (Joan. XV, 14): “Gij zijt mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied.”

“O Heer Jezus, spreek dan! Wat wilt gij, wat vraagt gij van ons?” – “Mijn kind”, zegt Hij, “één zaak alléén vraag Ik van u: Geef mij uw hart, mijn zoon (Spreuk. XXIII,26). Eén zaak gebied ik u: dat gij elkander liefhebt. (Joan. XV, 17).

Ons hart aan Jezus geven, en allen als broeders (en zusters) in zijn H. Hart verenigd zijn, is het te veel wat Hij van ons vraagt? Komt dus dikwijls deelnemen aan het H. Offer der Mis, Jezus bezoeken in het Tabernakel, en Hem ontvangen, in het bijzonder de eerste vrijdagen, in de H. Communie, om Hem aldus uw hart te geven met al de liefde die het bevat. En zo uw liefde tot Jezus rechtzinnig is, toont die met uw naaste te beminnen, hem in al zijn noodwendigheden te helpen, opdat wij allen, verenigd in het H. Hart van Jezus op de wereld, eens in hetzelfde verenigd mogen wezen in de Hemel. Amen.

Uit: Sermoenen van Kannunik d’Hoop, Pastoor-Deken van O.L.V. (St.-Pieters) Gent; Verzameld en bewerkt door R. De Steur, onderpastoor van O.L.Vrouw (St. Pieters), Gent, A. Siffer, Drukker, 1900


Imprimatuur:

Wij geven volgaarn onze goedkeuring aan de grondige en stichtende sermoenen van wijlen de ieverigen en geleerden heer Deken Kannunik V. d’Hoop, en wij bevelen ze der geestelijkheid van ons bisdom ten zeerste aan.

Gent, 4 april 1900.

+ Antonius, Bisschop van Gent

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.