Spring naar inhoud

De eenvoud en volmaaktheid Gods

Gepreekt op 22 oktober 2023 door E.H. J. De Bruyn, als onderdeel van een predicatiereeks ‘over God’, en hier gepubliceerd met toestemming.

Dierbaren,

Vorige keer hebben we het wezen Gods overwogen, hoe Hij het zijn is zijn gehele volheid, hoe Hij voortdurend alles met het zijn en het leven doordringt. Onze eindeloze afhankelijkheid van dit wezen, doet ons de knie buigen. “Zonder Mij kunt gij niets doen” sprak Ons Heer en dat geldt niet alleen in de orde van het morele handelen (keuze voor het goede), maar ook in de orde van het fysieke handelen. In waarheid, ons kleine pink kunnen we niet eens zonder zijn in-zijn-houdende werkzaamheid bewegen. Ons zijn is een ontstaan en geleend zijn, de bron van alle zijn, verleent ons ieder moment opnieuw dat zijn. Ons kleinste bewegingen, zelfs gedachten, die ook op één of andere manier een zijn hebben, worden door Hem in het zijn onderhouden. Hoe onmetelijk groot is dit noodzakelijke wezen en hoe nietig wijzelf en het hele universum. God sprak en het was. Eén woord, één wilsakt en het al rees uit het niet op: heel de wereld met haar bergen en oceanen, de planeten, sterren, galaxies, enzoverder staan in hun verbazingwekkende grootheid en schoonheid voor onze ogen.

“Ipse dixit et facta sunt.” (Hij sprak en het was er.); “Ipse mandavit et creata sunt” (Hij gebood en zij waren geschapen.) (Psalmen 33 en 148)

Zijn scheppingsmacht is onuitputbaar. Zoveel leven beweegt en kruipt over deze aarde. Hoe prachtig al dat leven is, het voortdurend komen en gaan. Ze zijn totaal incapabel zichzelf het zijn te verlenen.

 29. Avertente autem te faciem, turbabuntur: auferes spiritum eorum, et deficient, et in pulverem suum revertentur.29. maar keert Gij uw aangezicht af, dan ontstellen zij; neemt Gij hunnen adem weg, dan bezwijken zij en keeren terug tot hun stof.
30. Emittes spiritum tuum, et creabuntur: et renovabis faciem terrae.30. Gij zendt uwen geest uit, en zij worden geschapen, en Gij vernieuwt het aanschijn der aarde.

Vandaag proberen we nog enkele facetten van dit ontzagelijke wezen te bekijken: de eenvoud en volmaaktheid Gods.

Eenvoud (en ondeelbaarheid) Gods

Het Eerste Vaticaans Concilie beschrijft God als een “geheel eenvoudige en onveranderlijke geestelijke substantie”. Eenvoud sluit elke vorm van samenstelling in God uit. Alleen al daarom kan God geen materieel wezen zijn, omdat een materieel ding of lichaam altijd verschillende delen heeft, beperkt en vernietigbaar is. Een stoffelijk wezen kan niet de eerste oorzaak van alle dingen zijn, omdat het zelf veroorzaakt moet worden. “God is geest”, zegt onze Heer Jezus Christus, “en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid” (Johannes 4:24). Maar de eenvoud van God gaat veel dieper. Het sluit ook elke metafysische samenstelling in God uit. We hadden al gezien dat aan het begin van alles een eerste oorzaak moet staan die niet meer een ontleend en veroorzaakt zijn heeft, maar die het zijn uit zich heeft. Dit wezen is dus een noodzakelijk wezen. Het is onmogelijk dat het niet bestaat, daar het zijn zelve niet niet kan zijn.  Bij een noodzakelijk wezen (God) kan er uiteindelijk geen onderscheid zijn tussen zijn essentie en zijn bestaan, want anders zou hij niet noodzakelijk zijn. Dingen waarvan het bestaan denkbaar is zonder dat ze noodzakelijkerwijs bestaan, zijn contingent, d.w.z. niet-noodzakelijk. Dit geldt voor alle schepselen: ze waren ooit niet en velen zullen voor altijd ophouden te bestaan of hebben al opgehouden te bestaan. God had ook een oneindig aantal andere wezens (bv. groene Marsmannetjes) of werelden kunnen scheppen, maar in feite heeft hij ze niet geschapen en zal hij ze ook nooit scheppen. Dus deze zouden kunnen zijn, maar zijn het in feite nooit. Met God is het heel anders. Hij heeft geen zijn, maar is zijn. Op dezelfde manier heeft God geen verschillende kwaliteiten, maar iedere kwaliteit is identiek met Hemzelf. God leeft niet alleen, maar is het leven. Hij is niet alleen wijs, maar is de wijsheid; Hij heeft niet alleen veel liefde, maar “is liefde” (1 Johannes 4:8). Daarom zegt Christus dat hij “de waarheid en het leven” is (Joh 14:6). Augustinus verwoordt het kernachtig: “Wat God heeft, is Hij – Deus quod habet, hoc est.”

God kan niet onverstandig of liefdeloos handelen omdat Gods eigenschappen deel uitmaken van zijn wezen, kan hij er niet tegenin handelen. Dit is niet zo met schepselen, waar de eigenschappen slechts aan de essentie zijn toegevoegd. Een wijs man kan, voor een keer, toch een grote stommiteit begaan, want wijsheid is bij hem slechts een eigenschap die in meer of mindere mate tot hem komt. Zo kan zelfs een liefhebbende echtgenoot en vader zijn familie af en toe onaardig behandelen, en een waarheidslievend persoon kan af en toe liegen. God kan dat niet. Omdat hij wijsheid, liefde en waarheid is, is alles wat hij doet noodzakelijkerwijs wijs, liefdevol en waar. We kunnen Hem zonder voorbehoud vertrouwen, want Hij vergist zich nooit in zijn voorzienigheid en kan niet tegen ons liegen of ons op wat voor manier dan ook willen benadelen.

Eenvoudig en toch rijk

De goddelijke eenvoud spreekt echter niet tegen de bovengenoemde rijkdom van het goddelijke wezen, maar betekent dat de kwaliteiten, die alleen in schepselen van elkaar worden onderscheiden en in meer of mindere mate worden gevonden, op een hogere manier in het goddelijke wezen zijn verenigd. Het goddelijke wezen is daarom ook waarheid, wijsheid, almacht, liefde, enz. We beschouwen deze volmaaktheden echter in detail als verschillende kwaliteiten, omdat we de rijkdom van het goddelijke wezen niet anders kunnen bevatten dan gefragmenteerd in verschillende kwaliteiten. We moeten ons er echter altijd van bewust zijn dat dit een menselijke manier van kijken is, aangepast aan onze beperkte menselijke kennis, want in werkelijkheid zijn deze verschillende kwaliteiten allemaal één in God, vergelijkbaar met hoe het witte licht alle kleuren in zich omvat, maar die we alleen herkennen als we het openbreken door een prisma.

Eenvoud kan men ook als een deugd verstaan. God heeft geen verborgen bijbedoelingen met zijn schepselen Hij wil, ondanks de oneindige afstand tussen hem en ons, dat wij hem tegemoet treden met de eenvoud die een kind heeft tegenover zijn vader. De eenvoudige, eerlijke zielen die van hem willen houden, maar ook openlijk hun fouten opbiechten zonder te zoeken naar duizend excuses en verontschuldigingen, zijn hem dierbaarder dan de gecompliceerde zielen. Daarom verafschuwde Christus de ingewikkelde casuïstiek van de Farizeeën met hun kleingeestige regeltjes, die bovendien overal een achterpoortje openhielden om onder de uiterlijke schijn van vroomheid de eigen wil te kunnen doen. Hij omringde zich met eenvoudige mensen en maakte hen tot de fundamenten van zijn Kerk. De christelijke eredienst wordt, ondanks zijn waardigheid en plechtigheid, gekenmerkt door eenvoud en christelijke spiritualiteit kan door iedereen geleerd worden. Niemand hoeft een moeilijke studie te volgen om een diepe relatie met God te kunnen hebben. Onder de heiligen vinden we ongeschoolde boeren, ambachtslieden, knechten, dienstmeiden, huisvrouwen en bedelaars. Maar zelfs de heilige bisschoppen en geleerden, met al hun opleiding, hebben de Eenvoud behouden of verworven, zoals we bijvoorbeeld zien bij de grootste geleerde van de katholieke kerk, de heilige Thomas van Aquino, die het niet erg vond om door vreemden voor een eenvoudige broeder te worden aangezien. Iedereen moet naar deze eenvoud streven, zelfs als hij geboren is met een gecompliceerd karakter, want wie het contact met eenvoudige mensen en het open, eerlijke woord schuwt, wie met fluwelen handschoenen moet worden aangepakt en alleen kan worden aangesproken met woorden die op de gouden schaal worden gewogen, zal de christelijke volmaaktheid niet bereiken.

Volmaaktheid Gods

Terwijl wij mensen ons hele leven naar volmaaktheid moeten streven, is God oneindig in “iedere volmaaktheid”, zoals Vaticanum I zegt. Het gaat verder met te leren dat God de wereld juist schiep “om zijn volmaaktheid te openbaren”.

Daar God ja het onbegrensde uit zich bestaande zijn is, heeft Hij ook alle kwaliteiten die het zijn maar kan hebben en dat in hoogste mate, sterker nog, Hij heeft ze niet, Hij is er identisch mee, Hij is zijn Wijsheid, Hij is zijn Liefde, Hij is zijn Almacht, etc. is, dan zullen we begrijpen dat Hij niets kan ontbreken in deze volmaaktheden. Hij die alleen wijsheid heeft kan meer of minder wijs zijn, hij die macht heeft kan meer of minder machtig zijn. Hetzelfde geldt voor liefde, rechtvaardigheid en alle andere volmaaktheden. Maar hij die de liefde zelf is, kan niets in de liefde missen, hij die de wijsheid zelf is, kan niet op de een of andere manier onverstandig zijn, enzovoort.

Moest God niet volmaakt zijn sinds alle eeuwigheid, dan zou Hij dat ook nooit kunnen worden want wat een volmaaktheid niet bezit, kan alleen tot volmaaktheid geleid worden door iets wat het al heeft. Zo wordt water niet vanzelf heet, maar alleen door iets dat al heet is, en wordt de geest van een kind niet vanzelf met kennis gevuld, maar alleen als het kind onderricht krijgt, leest en de schepping overdenkt. Dus als God niet altijd alle volmaaktheid bezat, door wie of waardoor zou hij dan tot volmaaktheid gevoerd kunnen worden?

Dit is precies wat bedoeld wordt wanneer de scholastieken, in navolging van de Griekse filosoof Aristoteles, zeggen dat God “pure werkelijkheid” (actus purus) is en dat er geen potentialiteit of mogelijkheid tot verandering in hem is. In het goddelijke wezen is alle perfectie gerealiseerd, zodat er niets nieuws kan worden toegevoegd. God weet alles, kan alles, heeft de heiligste en rechtvaardigste wil en is overal aanwezig. Elke verandering zou daarom alleen maar een verlies van perfectie kunnen betekenen.

Omdat God de geheel en al perfecte is en de schepping enkel maar een afstraling is van zjn heerlijkheid, ligt het diepste en ultieme geluk van de mens in God. De zonde is dus in feite een domheid. Zonde is volgens de klassieke definitie “een zich afkeren van God en een ongeordend zich richten op het schepsel”. Wie zondigt verkiest iets anders boven God: bezittingen, een plezier, een persoon, zijn eigen trots of iets anders. Dit is objectief gezien dom. De zondaar denkt dat hij in het armzalige schepsel, dan niet eens zijn eigen bestaan kan verzekeren, meer geluk kan vinden dan in de bron van al dat goede en schone. “Wij dwazen”, zullen de zondaars zeggen in Gods oordeel (vgl. Wijsheid 5:4), maar ook gelovigen, omdat we in ons leven allemaal vaak te veel waarde hebben gehecht aan schepselen en God soms ontrouw zijn geweest omwille van hen.

Zonde is in zekere zin het inruilen van een ruwe diamant voor een waardeloze maar glinsterende glazen steen. God is in dit leven als een ruwe diamant of, in de woorden van de Verlosser, een verborgen schat (vgl. Mt 13,44): We zien zijn schoonheid niet en soms komt hij ons voor als weinig begeerlijk. We kunnen alleen maar zondigen omdat de schoonheid en de lieflijkheid van God in dit leven voor ons verborgen zijn. Wie ze openlijk ziet, kan nooit meer iets geschapen boven God verkiezen. Daarom kunnen de gelukzaligen in de hemel niet meer zondigen! Maar omdat deze schoonheid voor ons verborgen is, kunnen de schepselen waarvan de schoonheid direct voor onze ogen is, een grotere aantrekkingskracht op ons uitoefenen. Daarin ligt de eigenlijke test van dit leven! Wie deze test niet doorstaat, handelt kortzichtig, want hij zet zijn eeuwige geluk op het spel voor een snel voorbijgaande vreugde.

“Weest volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is” (Mt 5,48). Toch heeft de mens de opdracht van God om naar naar de heiligheid te streven zolang hij hier op aarde leeft. Hij mag nooit met pensioen gaan en denken dat hij nu genoeg heeft bereikt. Zolang hij leeft, moet hij zijn natuurlijke talenten gebruiken en zijn bovennatuurlijke gaven ontwikkelen. Het is niet genoeg om alleen maar de zonde te vermijden, maar men moet ook goed doen en innerlijk groeien. De dienaar van het evangelie die zijn talent begraaft, zal streng gestraft worden en net als de boosdoeners in de duisternis geworpen worden (vgl. Mt 25,24-30). Elk gebed, elk goed werk en geduldig doorstaan lijden, maar vooral elke goede heilige communie brengt ons dichter bij God. Alleen de dood stelt een grens aan ons streven. Daarmee eindigt de tijd waarin we de kans hebben om te groeien in Gods genade. Daarom, gebruik die tijd wel. Ge zult u nooit beklagen over één minuut die ge aan de goede God geschonken hebt, maar over hoevele uren, dagen en jaren zullen we bitter wenen…

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.