Spring naar inhoud

Feest van de Geboorte van de H. Maagd Maria

Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick:

Geboorte der H. Maagd.

Ik zag dat Joachim, daags voor de bevalling van Anna, zijn talrijke dienstknechten naar zijn kudden heenzond en ook van Anna’s dienstmaagden slechts de nodigste in huis hield. Ook hijzelf trok zich naar zijn dichtst bijgelegen weiden terug. Ik zag dat Anna’s eerstgeboren dochter, Maria Heli, voor het huishouden zorgde. Deze was nu ongeveer 19 jaren oud en gehuwd met Kleofas, een opperherder van Joachim; zij had van hem een dochtertje dat Maria van Kleofas heette en nu ongeveer 4 jaar oud was.

Na een vurig gebed zocht Joachim zijn schoonste lammeren, bokjes en runderen en zond herders daarmee naar de tempel tot een offer van dank. Eerst in de nacht keerde hij naar huis terug. Ik zag de drie verwante vrouwen tegen de avond in het huis van Anna aankomen. Zij begaven zich bij haar in haar woonkamer achter de haardstede en omhelsden haar. Toen Anna hun te kennen had gegeven dat het uur van haar bevalling nabij was, hief zij rechtstaande, samen met hen, een psalm aan:

“Looft God de Heer; Hij heeft zich over zijn volk erbarmd;
Hij heeft Israël verlost; Hij heeft de belofte vervuld,
die hij aan Adam in het paradijs had gedaan:
het Kind van de vrouw zal de kop van de slang verpletten.

Ik kan niet alles meer in de juiste volgorde weergeven.

Onder haar gebed en lofzang was Anna als in geestverrukking. In haar loflied haalde zij alle voorafbeeldingen van de H. Maagd aan. Zij zei: “De kiem (of zegen) die God aan Abraham gegeven heeft, is in mij tot rijpheid gekomen.” Zij vermeldde verder hoe God Isaäk aan Sara had beloofd en zei: “De bloesem van Aärons staf is in mij volkomen ontbloeid.” Daarbij zag ik haar als van licht doordrongen. Ik zag haar kamer vol glans en ik zag de ladder van Jakob boven die glans verschijnen. Ook de andere vrouwen waren verblijd en verbaasd en als in vervoering; ik meen zelfs dat ook zij de verschijning ontwaarden. Pas na dit gebed van ontvangst en verwelkoming werd aan de aangekomen vrouwen wat brood, vruchten en water met balsem ter verversing aangeboden. Zij aten en dronken rechtstaande en legden zich dan tot tegen middernacht neer om uit te rusten van de reis. Anna bleef waken in gebed en wekte de vrouwen tegen middernacht, om zich met haar in het gebed te verenigen. Zij volgden haar achter een gordijn in haar bidvertrek

Anna opende hier de deurtjes van een kleine muurkast, die in een doos iets heiligs bevatte. Aan beide zijden stonden lichten, ik weet niet, misschien lampen. Men schoof ze uit een bus of koker omhoog en stak er kleine spieën onder om te beletten dat ze neerzonken, en zij staken de lampen aan. Een gekussende knielbank stond aan de voet van dat soort altaartje. In de relikwieëndoos werden haren van Sara bewaard, voor wie Anna een bijzondere devotie had. Ook beenderen van Jozef, die Mozes uit Egypte meegebracht had; ook iets van Tobias, ik geloof de relikwie van een kledingstuk, en bovendien de kleine, witte, glinsterende, peervormige beker, waaruit Abraham, toen de engel de zegen bracht, gedronken heeft.
Dan heeft Joachim hem bekomen, samen met de zegen uit de Verbondsark. Ik weet nu dat die zegen, wijn en brood, een (soort) sacramentele spijs en versterking is geweest.

Anna knielde vóór het muurkastje neer; twee vrouwen knielden links en rechts van haar en de derde achter haar. Zij improviseerden weer een psalm; ik meen dat de brandende braamstruik van Mozes erin genoemd werd. Ik zag nu een bovennatuurlijk licht de kamer vervullen en zich samentrekkend Anna omhullen. De vrouwen vielen als bedwelmd op hun aangezicht neer. Dit licht nam rondom Anna geheel dezelfde vorm aan van de brandende braamstruik van Mozes op de Horeb (Ex. 3, 1) en omsloot haar zo dicht, dat ik niets meer van haar kon zien. De vlam richtte zich geheel naar binnen en opeens zag ik nu dat Anna de pasgeboren Maria, die schitterde van licht, in haar armen ontving, onder haar mantel nam, aan haar hart drukte en het dan naakt op de knielbank vóór de relikwieënkast neerlegde en doorging met bidden. Ik hoorde het kindje vervolgens wenen, en ik zag dat Anna doeken van onder haar wijde sluier, waarin ze gehuld was, te voorschijn trok. Zij wikkelde nu aanstonds het kind tot onder de armen in deze zwachtels, eerst in een witgrijze, en dan in een rode erboven; doch ze liet de borst, de armpjes en het hoofdje nog onbedekt.

Nu was de verschijning van de braamstruik rondom haar verdwenen. De vrouwen richtten zich op en ontvingen met grote verwondering het pasgeboren kind op de armen; zij weenden van overgrote vreugde. Dan hieven zij gezamenlijk een nieuwe lofzang aan, en Anna hield haar kind in de hoogte, als om het aan God op te dragen. Ik zag daarbij de kamer opnieuw met glans vervuld en ik aanschouwde een menigte engelen, die Gloria en Alleluia zongen. Ik onderscheidde en verstond al hun woorden; ze verkondigden o.m. dat het kind op de 14e dag de naam ‘MARIA’ moest ontvangen. Anna begaf zich nu naar haar slaapvertrek en legde zich te bed. De vrouwen echter wikkelden het kind los, wasten het en bakerden het opnieuw in en legden het vervolgens in het bereik van de moeder. Men kon nl. aan haar legerstede, van voren of aan de muurzijde, of ook aan het voeteinde, naar gelang men het verkoos, een gevlochten traliekorfje vastmaken, om het kind een plaatsje dicht bij de moeder en toch ervan afgescheiden, te bereiden.

Nu riepen de vrouwen de vader binnen. Joachim naderde tot het bed, knielde neer en besproeide met een vloed van tranen zijn teergeliefd klein dochtertje. Vervolgens hield hij het op de armen omhoog en improviseerde een lofzang, gelijk Zacharias bij de geboorte van Joannes. Hierin maakte ook hij gewag van de heilige kiem die God in Abraham gelegd had. Deze zegen was onder het godsvolk verder doorgegeven in het verbond dat door de besnijdenis bezegeld was en had nu in dit kind zijn hoogste ontwikkeling en bloei en naar het vlees de volle wasdom bereikt. Zo jubelde Joachim het uit. In zijn improvisatie hoorde ik hem ook
zeggen dat het woord van de profeet nu was vervuld: “Een twijg zal uit de wortel van Jesse ontspruiten.” (Jes. 11, 1). Ook verklaarde hij ootmoedig en gemeend dat hij nu gaarne wilde sterven. Ik bemerkte pas daarna dat Maria Heli, Anna’s oudste dochter, het kindje eerst later te zien kreeg. Ofschoon zelf reeds enige jaren moeder van Maria van Kleofas, was zij toch niet bij de geboorte van Maria tegenwoordig geweest, wellicht omdat volgens joodse wet en zede de tegenwoordigheid van een dochter op dat ogenblik niet betaamde.

‘s Morgens zag ik de knechten en meiden en vele mensen uit de omgeving rondom het huis verzameld; zij werden in groepjes binnengelaten en de vrouwen lieten aan allen het kind zien. Velen waren diep ontroerd en menigeen beterde zijn leven. De oorzaak van deze toeloop van buren was dat zij in de nacht een lichtglans boven het huis gezien hadden en ook omdat zij de bevalling van Anna, na zulk een lange periode van onvruchtbaarheid als een buitengewone genade van de hemel beschouwden.

Vreugde bij Maria’s geboorte in de Hemel.

Op het ogenblik dat het nieuwgeboren kindje Maria in de armen van moeder Anna rustte, zag ik het tegelijkertijd in de Hemel voor het aanschijn van de allerheiligste Drievuldigheid aangeboden en met onbeschrijfelijke vreugde door alle hemelse heerscharen begroet worden. Ik begreep dat haar toen al haar latere vreugden, smarten en lotgevallen op een bovennatuurlijke wijze bekend gemaakt werden. Maria werd in oneindige geheimen ingewijd en toch was en bleef zij een kind. Deze kennis van haar kunnen wij niet begrijpen, omdat onze kennis voortkomt van de boom der kennis van goed en kwaad. Zij kende dat alles, zoals een kind de borst van zijn moeder kent en weet dat het daaraan moet drinken. Toen dit visioen over het onderricht van Maria in de hemel door de genade, voorbij was, hoorde ik haar voor de eerste maal wenen.

Aankondiging van Maria’s geboorte in het voorgeborchte der Hel.

Aanstonds na Maria’s geboorte zag ik deze aan de aartsvaders in het voorgeborchte der Hel aangekondigd worden en dat allen daarop, inzonderheid Adam en Eva, met een onuitsprekelijke vreugde vervuld waren: immers nu was de paradijsbelofte waar gemaakt. Ik zag ook dat de staat van genade der aartsvaders in glorie toenam, dat hun verblijf helderder en ruimer werd en dat zij een werkdadiger invloed en macht op de Aarde bekwamen. Het was alsof al hun arbeid en boete, al hun strijden, schreien, verlangen en verzuchten tijdens hun leven nu gerijpt was tot een bevredigende vrucht.

Bron: Emmerick.be – boekdeel 1 – Leven der H. Maagd, fascikel 2.

1 reactie »

  1. Mooi artikel..geweldige geschriften van Anna Catharina Emmerich. Alleen zal niet het kind van de Vrouw de kop van de slang verpletteren maar de Vrouw zelf. Daarom wordt OLV vaak afgebeeld met een slangenkop bij Haar Hiel.

    Like

  2. Prachtig, en dit is zo’n bijzondere dag. De Jakobsladder was een vizioen wat ook betrekking had op de materiële trappen van de Tempel in Jerusalem, waarlangs Maria als drie jarig kind omhoog klom, toen ze aangeboden werd door haar ouders in de Tempel.

    Joachim en Anna hadden beloofd aan God om hun kind aan Hem op te dragen, als Anna in verwachting zou raken.

    Dit komt uit de “Mystical City of God” van Maria van Agreda, een boek dat kerkelijk is goedgekeurd, en door zes Pausen van harte aanbevolen.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.