Het Scheppingsverhaal dient letterlijk genomen te worden
Enkele dagen geleden had ik een droom. Ik was in een grote stad ergens in het buitenland, wellicht Amerika, en ik stond voor een groot nieuw winkelcentrum die ze over een straat hadden gebouwd. Op het trottoir stonden grote bewegwijzeringen met o.a. in het groot ‘Missing Link’ met een pijl naar het museum waar dit was ondergebracht. Ze hadden zogezegd de overblijfselen gevonden van de “tussensoort” tussen de aap en de mens. Ik ging toen in het winkelcentrum binnen en zei toen tegen iemand die met mij mee was: “Ik haat dat gedoe met die zogezegde fossielen en die evolutie. Het Scheppingsverhaal dient letterlijk genomen te worden, anders mag je een streep trekken door je hele Bijbel en is Christus voor niets gestorven.” Toen ik wakker schoot, kreeg ik van de Heer de ingeving om hier eens een lijvig artikel over te schrijven.
Hier zullen we dan ook volledig brandhout maken van de “evolutietheorie”.
Ervaring in de biologie
Ikzelf heb van 2009 -2012 biologie gestudeerd aan de UGent, en heb op het einde van mijn 3de bachelor mijn studies afgebroken deels vanwege mijn religieuze overtuiging. God en geloof werd uiteraard steevast belachelijk gemaakt. Mensen die geloven werden bestempeld als “creationisten”, wat in hun ogen synoniem was voor “domme en achterlijke mensen.” Richard Dawkins en aanverwante atheïsten waren dé personen om naar op te kijken.
Ik ken de evolutietheorie van Darwin, in het 3de jaar was dit zelfs een vak, hoewel het in de meeste vakken wel aan bod kwam (zoals dierkunde, plantkunde, genetica, biochemie, geologie, filosofie van de biologie (van Johan Braeckman!)). De evolutietheorie zegt dat God niet bestaat, en dat wij slechts een kosmisch toeval zijn, wij zijn niet meer dan geëvolueerde eencelligen… een gevolg van miljoenen jaren evolutie uit wat protisten die zich toevallig zouden gevormd hebben in een plas water waar wat biochemische reacties plaatsvonden. Een plas waar toevallig door omstandigheden aminozuren werden gevormd, waardoor DNA kon gevormd worden en door een toevallige omstandigheid ineens leven, dat zich dan gestaag organiseerde en uitbreidde tot alle levensvormen die we vandaag kennen. Bijgevolg is de mens in de ogen van de wetenschap niet meer waard dan een vlieg. Want we zijn allemaal producten van de evolutie. Vandaar dat de mens zich in de wetenschap gelijk stelt met God en zich toegelaten acht om zijn medemens als afval te beschouwen (het weggooien van “onnutte” embryo’s bij IVF en aanverwanten; het aborteren van ongewenste kinderen valt hier ook onder), net zoals men een vlieg plat slaat en weggooit, want het zijn toch maar een paar aaneengevoegde cellen, toevallig ontstaan? En merk op: de evolutietheorie is een THEORIE, het is nooit bewezen. Er is tot op heden nog nergens waargenomen en bewezen dat uit een diersoort een andere diersoort is ontstaan. De zogezegde “tussensoorten” zijn een fabeltje. Een mooi voorbeeld is de coelacanth, in de wetenschap een “levend fossiel” genoemd. Dit leefde zogezegd miljoenen jaren geleden en is zogezegd een “overgangsvorm” tussen vis en amfibie. Maar de vraag is dan: waarom bestaat deze soort nog altijd? Overgangsvormen zouden volgens de wetenschap niet meer mogen bestaan. De soorten evolueren zogezegd naar steeds ingewikkeldere vormen, maar de vraag is dan waarom die “mindere” soorten blijven bestaan… Dit kunnen ze niet uitleggen. In mijn jaren aan de unief heb ik gemerkt dat evolutietheorie en Darwinisme vooral een soort “godsdienst” is, met Darwin als een soort heilige en “The Origin of Species” als bijbel. Ik zal ook nooit de eerste woorden vergeten van de prof celbiologie in zijn eerste les: “Hier zul je zien waarom God niet bestaat”.
De conservator van het dierkundemuseum was zeer ijverig en vol vuur om deze godsdienst bij te brengen aan de kinderen van de lagere en middelbare school, door middel van infopanelen, infosessies en workshops. En wat mij opviel is dat ze daar eigenlijk geen evolutie konden aantonen. Wat stelden ze als evolutie (“natuurlijke selectie”) voor? Een hermelijn die in de winter wit en de zomer bruin is, een berkenspanner (soort nachtvlinder) die wit of zwart kan zijn (naargelang de kleur van de schors van de bomen in de buurt). Of verschillende zaadjes en de soorten snavels van vogels om die zaadjes te kunnen eten… Evolutie wordt voorgesteld als een mechanisme waarbij het dier “zich aanpast” aan omstandigheden en na verloop van tijd “evolueert”. Dit evolueren brengt echter geen andere diersoorten voor, er is enkel variatie binnen een soort: een soort aanpassingsvermogen. Bij die vogels is het nooit aangetoond dat er een enkele “oersoort” was met een universele snavel. Die witte of zwarte berkenspanner is nog steeds een berkenspanner: beide varianten kunnen met elkaar paren. Zo ook met andere voorbeelden in de dierenwereld. Al de soorten “honden” die we door fokken al hebben doen ontstaan. Is daar al een nieuwe diersoort uit ontstaan? Neen, enkel rassen. Een Jack Russel is perfect kruisbaar met een Engelse Bulldog. En indien twee goed op elkaar lijkende soorten met elkaar paren (vb. paard en ezel) dan is het nakomelingschap (een muilezel of muildier) steriel en wordt het niet verder voortgeplant. En in de meeste gevallen kunnen twee sterk op elkaar lijkende diersoorten niet paren (incompatibiliteit van ei- en zaadcellen). Er ontstaat dus geen nieuwe diersoort. Idem met de mens. Een Aziaat is geen andere mensensoort dan een Afrikaan. Evolutie is nooit, maar dan ook nooit bewezen. Vandaar spreekt men nog steeds van “theorie”.
“Een theorie is een geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen die in onderlinge samenhang worden beschreven.” (Wikipedia)
Wat mij ook opviel is dat deze theorie zeer veel gaten heeft. In het vak ‘algologie’ werden de eerste stappen van evolutie besproken: hoe eukaryote eencelligen zijn ontstaan en verder, maar hun schema stond letterlijk (!) vol vraagtekens. Ook andere schema’s in het vak ‘evolution’ vertoonden vele bizarre elementen.
Evolutietheorie loochent het bestaan van een Almachtige Schepper alsook de Duivel en de zondeval waardoor er ziekten, lijden en kwaad in de wereld is. Alles wordt puur vanuit een evolutionaire basis uitgelegd. Bijgevolg zijn er ook geen geboden waar men zich dient aan te houden. We zien dat nu zeer goed in onze tijd. Egoïsme wordt in het kader van evolutie als iets positiefs voorgesteld, goed voor een sterke genenpoel, waar de sterkste overleven en de soort wordt in stand gehouden (aangeduid met het begrip ‘fitness’). Maar het tegenovergestelde, altruïsme (het elkaar helpen), wordt ook gezien in kader van evolutie, ook voor het in stand houden van de soort, maar men kan dit puur op evolutionaire basis niet goed uitleggen (zoiets als liefde bestaat in Darwinistische kringen niet, dat wordt steevast verworpen, alles is chemie, fysica en evolutie). Er worden dan weer allerlei hypothesen geformuleerd over het waarom en hoe. Met andere woorden, ze weten niet meer van welk hout pijlen te maken.
Het gevolg van deze theorie is ook dat veel wetenschappers en ook gewone mensen meer bekommerd zijn om “het milieu” en om de dieren (zoals bvb. walvissen) dan om hun medemens. “Er zijn teveel mensen”, “we moeten de natuur redden”, “de wereldpopulatie moet naar beneden om bedreigde diersoorten te redden” etc. “Voor mij is de mens minder dan een worm”, zo zei milieuactivist Paul Watson van de ‘Sea Sheperd” ooit. Typische uitspraken van linkse groene hippies, maar nu door de meerderheid van de mensheid als standaard aangenomen. Uit het Darwinisme spruit het Sociaal Darwinisme en tevens de Eugenetica voort, en dit was voor Hitler (die het trouwens overnam van de Amerikanen, die rond 1900 een Eugeneticabeweging startten om een superras te creëren) de aanleiding om massaal gehandicapte mensen te euthanaseren, Joden te vergassen en andere minderheidsgroepen uit te roeien, om het ‘arische ras’ te versterken en beter te maken. Allemaal in het kader van ‘selectie’ en ‘survival of the fittest’. Klinkt vrij satanisch, niet? Hitler en zijn werken werden veroordeeld, maar de theorie die hij daarvoor in het achterhoofd hield niet…
Mijn bekering
Het was in het derde bachelorjaar toen ik enkele vakken had waar ik niet door geraakte: ‘biostatistiek’, ‘algologie’ en ‘evolution’. Biostatistiek was oersaai en interesseerde mij geen bal, en de twee andere vakken gingen voornamelijk over evolutie. Ik had een 9. Ik had in augustus herexamens, maar ik had telkens een 9/20. Reeds in 2011 was mijn bekering begonnen, met een sprong in mijn geloof in begin 2012. Vandaar dat ik ook al worstelde met die ‘evolution’, maar desondanks er toch meer door ging en wilde slagen voor dat vak. In het najaar van 2012 droomde ik, toen ik na de herexamens besloot om mijn studies nog verder te zetten, tot twee maal toe dat ik ging blijven buizen en dat God wilde dat ik er mee kapte. Ik droomde dat ik examen ‘evolution’ had en ik bakte er weer niks van, ik kon amper iets invullen en ik was dus weeral gebuisd voor dat vak. Dan stond ik plots bij een pastoor die ik ken. Hij had een Bijbel in de hand en hij zei: “God heeft de wereld geschapen, Hij heeft de mens geschapen en de dieren. Alles staat in de Bijbel, wat moet een mens nog meer weten?” Dan korte tijd daarna droomde ik weer dat ik examen ‘evolution’ had. Weer kon ik er niks van, ik probeerde nog de vragen in te vullen, maar het ging niet. Dan moesten we naar voren gaan. Er lag daar een hoop boeken waar we één moesten uitkiezen om dan bij de prof te verwerpen. Het waren boeken over God. Dat heeft uiteindelijk de doorslag gegeven om ermee te stoppen. Ik heb mijn extra jaar nog uitgedaan, maar niet meer naar de examens gegaan. Zo had ik een soort sabbatjaar waarin ik veel tijd had voor het uitbouwen van een apostolaat.
Ik herinner mij een citaat uit het boek van ‘Exorcist Don Amorth’, toen exorcist pater Candido een bezetene ondervroeg:
Hij vroeg: “Op aarde zijn er hoog intelligente wetenschappers die zowel het bestaan van God als ook jullie bestaan loochenen. Wat zeg je daarop?” Het kind antwoordde direct: “Wat betekent hier superieure intelligentie? Dat is de hoogste dwaasheid” en pater Candido voegde toe, verwijzend naar de demonen: “Anderen ontkennen ook God met hun volledige wil. Wie zijn dat?”. De kleine bezetene sprong woedend recht en zei: “Pas op! Vergeet niet dat wij onze vrijheid terug willen, ook door Hem. We hebben daarom altijd neen gezegd tegen Hem.” Vervolgens haakte de exorcist in: “Verklaar en zeg mij welke zin heeft het om zich te bevrijden van God omdat je zonder Hem toch maar een nul bent, net zoals ook ik een nul ben. Het is alsof de nul gescheiden is van het cijfer ‘1’ in het getal ‘10’. Wat zou het effect zijn? Wat zou het voordeel zijn? Ik beveel je in de Naam van God: Zeg me, wat heb je voor positiefs bereikt? Vooruit, praat!” Hij kronkelde zich vervuld van haat en angst, spuwde, huilde vreselijk – onvoorstelbaar voor een kind van 11 jaar! – en zei: “Ondervraag mij toch niet zo! Ondervraag mij toch niet zo!” (p. 37-38)
Scheppingsverhaal
We halen een fragment van Genesis aan:
Genesis 1, 20-28
God sprak: `Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’ Toen schiep God de grote gedrochten van de zee en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was. God zegende ze en Hij sprak: `Wees vruchtbaar en word talrijk; gij moet het water van de zee bevolken, en de vogels moeten talrijk worden op het land.’ Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag. God sprak: `Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.’ Zo gebeurde het. God maakte de wilde beesten, soort na soort, de tamme dieren soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was. God sprak: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’ En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’
Het scheppingsverhaal wordt vrij eenvoudig voorgesteld. Maar om hier beter inzicht in te krijgen, zullen we de visioenen “Geheimen van het Oud Verbond” van de Zalige Anna Katharina Emmerick aanhalen (Uitgegeven door Vrienden van A.K.E in 1985). Zij heeft op een prachtige manier gezien en uitgelegd hoe alles is geschied, een prachtige aanvulling voor de Bijbel (zoals het met al haar visioenen is). Het eerste imprimatuur voor haar visioenen over het Lijden van Christus kwam er in België reeds in 1846 (het jaar van de verschijningen van O.L.V. te La Salette).
Schepping van de aarde
Onmiddellijk na de smeekbede van de getrouw gebleven engelenkoren en na de beweging in de Godheid zag ik neven de schaduwschijf, die onderaan ontstaan was (waar de gevallen engelen terechtkwamen), rechts er niet ver van verwijderd een donkere bol ontstaan. Nu hief ik mijn ogen meer op die donkere bol rechts van de schaduwschijf en zag er een beweging in, als werd ze groter en groter en ik zag lichtere punten uit de massa tevoorschijn komen die als met helle banden omwikkeld waren en hier en daar in breder, helle vlakken zich verspreidden; en onmiddellijk zag ik de gestalte van het naar voor tredende land zich tegen het water aftekenen. Toen zag ik in de lichte plaats een beweging, als werd erin iets levend. En uit de oppervlakten zag ik gewassen naar voor komen en daartussen ook levendig gewemel ontstaan. Als kind dacht ik nog, dat die planten vrij bewogen. Tot dan toe was alles grauw geweest, nu werd alles lichter, en ik zag als een zonsopgang. Het was, zoals het ’s morgens vroeg is op aarde, en alsof alles uit de slaap ontwaakt. Al het andere uit het beeld verdween voor mij. De hemel was blauw, de zon toog ervoor. Ik zag enkel een deel van de aarde erdoor beschenen en verlicht waardoor dat gedeelte zeer heerlijk en aangenaam werd, en ik dacht: dat is het paradijs. Alles zag ik nochtans, naar gelang het op de donkere bol veranderde, als een uitstromen uit die Goddelijke kring. Toen de zon hoger steeg, was alles zoals ’s morgens bij het ontwaken; maar het was de eerste morgen; en toch wist geen schepsel ervan. Het was als waren zij eeuwig daar geweest, zij waren in onschuld. Naar gelang de zon hoger steeg, zag ik ook de bomen en planten groter en groter worden. Het water was klaar en heilig, alle kleuren waren reiner en helderder, alles was onuitsprekelijk aangenaam; er was daar ook geen spoor, zoals nu, van schepselen. Alle planten, bloemen en bomen hadden een ander voorkomen: nu ziet alles er daartegenover woest en kreupel uit, nu is alles als het ware vervallen. […] Ik dacht nog, wat is alles toch schoon, nu er nog geen mensen zijn! Er is geen zonde, geen verstoring, geen verkreuking geweest. Hier is alles heil en heilig. […] Tussen de gewassen bemerkte ik eerst beweging en levende dieren; daarom zag ik de dieren hier en daar tussen de bosjes en de struiken, als uit de slaap opstaan en uitkijken. Zij waren niet schuw en gans anders dan nu; zij waren tegenover de tegenwoordige dieren bijna als mensen; zij waren rein, edel, snel, vrolijk en zacht. Het is niet te vertolken hoe ze waren. De meeste dieren waren vreemd voor mij. Ik zag schier geen zoals nu. Ik zag geen apen, geen insecten of andere hatelijke dieren; ik dacht steeds: die zijn een straf voor de zonde. Ik zag veel vogels en hoorde het lieflijkste gezang, zoals ’s morgens, maar ik hoorde geen dieren brullen en zag geen roofvogels.
Adam en Eva
Ik zag Adam niet geschapen in het paradijs, maar in de omgeving van het latere Jeruzalem. Ik zag hem glanzend en wit uit een hele aardheuvel tevoorschijn komen, als uit een vorm. De zon scheen, en ik dacht, daar ik het zag als kind, de zon straalt Adam uit de berg tevoorschijn. Hij werd als uit de aarde geboren, die een maagd was. God zegende haar en zij werd zijn moeder. Hij trad niet plots uit de aarde, het duurde enige tijd vooraleer hij tevoorschijn trad. Hij lag in de heuvel op zijn linkerzijde, de arm over het hoofd geslagen, en was met een lichte nevel als met een sluier bedekt. Ik zag een figuur in zijn rechterzijde en het werd me ingegeven dat het Eva was, die in het Paradijs door God uit hem tevoorschijn werd getrokken. God riep hem, en het was als opende de aardheuvel zich en Adam trad stilaan naar voor. Er waren geen bomen, maar slechts kleine bloemen rondom. Ook de dieren had ik als enkelingen uit de aarde tevoorschijn zien komen en de vrouwelijke zich daaruit afzonderen.
Ik zag dat Adam zeer ver naar een hoogliggende tuin, het Paradijs, gedragen werd. God stelde hem in het Paradijs de dieren voor. Adam gaf ze een naam, ze volgenden en speelden met hem. Alles diende hem vóór de zonde. Eva was nog niet uit hem gevormd. Al die dieren, die hij benoemde, gingen hem later op de aarde achterna. Ik zag Adam in het Paradijs, niet ver van de bron in het midden van de tuin, als uit de slaap opstaan tussen bloemen en kruiden. Hij was witglanzend; zijn lichaam had echter naar het scheen, meer van het zinnelijke dan van een geest. Hij verwonderde zich over niets, ook niet over zichzelf, en ging, als was hij aan alles gewoon, tussen de bomen en de dieren, zoals iemand die zijn velden overschouwt.
Ik zag Adam aan de heuvel bij de boom aan het water op zijn linkerzijde liggen met zijn linkerhand onder zijn wang. God zond slaap over hem en hij was verzonken in visioenen. Daar trok God uit de rechterzijde van Adam, Eva ter plaatse tevoorschijn, waar de zijde van Jezus door de lans geopend werd. Ik zag Eva fijn en klein. Zij werd snel groter, tot ze volledig groot en schoon was. Zonder de zondeval zouden alle mensen zo in zachte slaap geboren geworden zijn. De heuvel week uit elkaar en ik zag aan de zijde van Adam een rots ontstaan als van kristalvormige edelstenen; aan de zijde van Eva echter een wit dal met fijn wit stuifmeel bedekt. Als Eva gevormd was, zag ik dat God iets aan Adam gaf of liet toevloeien. Het was, als stroomde uit God, onder mensen vorm, uit voorhoofd, mond, borst en handen lichtstromen die zich verenigden in een lichtbol die in de rechterzijde van Adam ging, waaruit Eva genomen was. Adam alleen ontving dat. Het was de kiem van Gods zegen. In die zegen was een drievuldigheid; de Zegen, die Abraham van de engel ontving, was er een van dezelfde vorm, maar die niet zo lichtend scheen. Eva stond rechtop voor Adam, en deze gaf haar de hand. Ze waren als twee kinderen, onuitsprekelijk schoon en edel. Ze waren helemaal glanzend, met stralen bekleed als met een sluier. Uit de mond van Adam zag ik een brede lichtstroom glanzen en op zijn voorhoofd als een aureool van majesteit. Rond zijn mond was een stralenzon, rond de mond van Eva niet. Het hart zag ik ongeveer zoals nu in de mensen, de borst nochtans was met stralen omgeven en midden in het hart zag ik een lichtende glorie en daarin een klein beeld, als hield het iets in de hand. Ik meen, dat daardoor de derde Persoon van de Godheid beduid werd. Ook uit hun handen en voeten zag ik lichtstralen vloeien. Hun haar viel in vijf lichtende stralenbundels van het hoofd neer, twee over de slapen, twee achter de oren gaand, en één naar het achterhoofd.
Ik heb altijd de overtuiging gehad dat door de wonden van Jezus, deuren in het menselijk lichaam geopend werden, die door de zondeval gesloten waren geworden, en dat Longinus in de zijde van Jezus de deur van de wedergeboorte tot een eeuwig leven geopend heeft. Daarom is niemand de hemel binnengegaan, vooraleer die deur geopend was. De lichtende stralenbundel op het hoofd van Adam zag ik als zijn overvloed, zijn glorie, de voltooiing der andere uitstralingen. En die glorie herneemt haar plaats bij de verheerlijkte zielen en lichamen. Ons haar is de gevallen, getaande, verstarde glorie, en zoals ons huidige haar tot de stralen, zo is de verhouding van ons huidige lichaam tot het lichaam van Adam vóór de val. De stralenzon rond de mond van Adam had betrekking op de Zegen van een heilig nakomelingschap uit God, die zonder de zondeval door het Woord zou bewerkt geworden zijn.
Adam reikte Eva de hand; zij gingen van het schone oord waar Eva ontstond door het Paradijs; alles beziend en er vreugde aan belevend. Dat oord was het hoogste in het Paradijs, alles was glans en licht, daar zelfs meer dan waar ook.
Dit is hoe het er werkelijk aan toe ging. De wereld is niet ontstaan door een oerknal en wegslingerende materie. De mens is niet voortgekomen uit een aap. De mens is niet geëvolueerd. God dacht aan de aarde en de mens en het was er, volmaakt, zoals Hij het wilde. Maar voor de meeste mensen is het Scheppingsverhaal te eenvoudig en te kinderlijk (of kinderachtig). Het moét wel ingewikkelder dan dat zijn. En dan komt men af met theorieën als: God heeft eerst een aap geschapen en daaruit de mens, of God heeft vanuit een protist de evolutie gestuurd en zo na miljoenen jaren de mens doen ontstaan… om toch maar wat te compromitteren met de evolutietheorie. Maar wie zijn wij om aan Gods Almacht perken te stellen? Is God dan niet zo Almachtig dat Hij alles kan, dus ook de mens in één ogenblik kan scheppen zoals beschreven staat? Zou dat voor God dan te moeilijk zijn?
Zondeval en verwildering van de mens
De zondeval bestond erin dat de verboden vrucht verzwond en Adam en Eva dingen te weten kwamen die ze niet moesten weten, waardoor lustgevoel en vleselijkheid, schaamte, zonde en de dood intrad. Na de zondeval werden zij uit het Paradijs verdreven en kwamen ze op de boete-aarde aan (de aarde die wij nu kennen):
Toen zij tamelijk lang zo gevlucht hadden, was de glanzende streek waar ze uitgegaan waren, reeds als een verre berghoogte, en ze verborgen zich, gescheiden, onder de struiken van een donkere vlakte. Daar riep hen een stem uit de hoogte; zij kwamen echter nog niet te voorschijn, werden nog banger, vluchtten nog verder, zich dieper wegstekend. Dat deed me veel leed. De Stem echter, werd strenger; zij hadden zich gaarne nog dieper verstopt, maar ze werden gedwongen naar voor te komen. De indrukwekkende, glanzende gestalte verscheen; zij traden naar voor met neergebogen hoofd en keken de Heer niet aan; maar ze bekeken elkaar en beschuldigden zich wederzijds. Nu wees hij hen nog dieper een vlakte aan, waar bomen en struiken stonden en daar werden zij deemoedig en beweenden eerst echt hun ellendige staat. Toen ze alleen waren, zag ik hen bidden. Ze zonderden zich af van elkaar, wierpen zich op de knieën, hieven de handen omhoog, weenden en kermden. Toen ik dat zag, voelde ik hoe weldadig de afzondering in gebed is.
Ik zag Adam en Eva op de boete-aarde aankomen. Het was een onbeschrijfelijk roerende aanblik de beide boetende mensen op de naakte grond. Adam had een olijftak uit het paradijs mee mogen nemen, die hij hier plantte. Ik zag dat het kruis later uit dat hout getimmerd werd. Ze waren onbeschrijfelijk bedroefd. Gelijk ik ze daar zag, konden zij het paradijs met moeite nog zien. Ze hadden altijd maar gedaald; en het was ook als keerde zich iets om, en ze kwamen door nacht en duister aan het treurige oord van de boete.
Over de zondeval zegt A.K. Emmerick nog:
Vóór de zonde waren Adam en Eva gans anders gemaakt dan wij, ellendige mensen het nu zijn. Met de verboden vrucht namen zij het materialistische in zich op, wat geestelijk was werd zinnelijk, zaak, werktuig, vat. Vroeger waren ze verenigd met God, nu zijn zij gescheiden met een eigen wil, en die eigenwil is zelfgenoegzaamheid, zondelust, onreinheid. Door het genot van de verboden vrucht wendde de mens zich van zijn Schepper af en het was, als nam hij de schepping op in zichzelf. […] Daarvoor was hij, door God, de heer van de ganse natuur; nu was in hem alles tot natuur geworden, hij was een onderworpen en gebonden heer van zijn dienaar en moest met hem vechten en strijden. […] Ik zag het inwendige, alle organen van de mensen, als onderworpen aan het vlees, lichamelijk in het vergankelijk en vervallen evenbeeld van de schepselen en hun wisselwerking van de sterren tot de kleinste dieren. En dat alles werkte in hem, van dat alles hing hij af en hij had ermee te doen, te kampen en te lijden. Ik kan het niet duidelijk zeggen, al ben ik zelf een lidmaat van de gevallen mensheid. De mens is geschapen om de rijen van de gevallen engelen aan te vullen. Zonder de zondeval had hij zich slechts vermeerderd tot het volle getal van de engelen bereikt was en zou de schepping voleindigd geweest zijn. […] De eerste mens was als een evenbeeld van God, het was als de hemel. Alles was het eens met hem en in hem; zijn vorm was een afdruk van de goddelijke vorm. […] Na de val was alles anders. Alle vormen van de schepping waren herschapen en verstrooid in zich, al wat één was, werd oneens, uit één werd veel, en zij namen niet meer uit God alleen, maar ook uit zichzelf. Nu waren zij eerst echt twee, en werden drie en eindelijk ontelbaar. Evenbeeld van God waren zij, en nu werden zij eigenbeeld, die evenbeelden van hun zonde voortbrachten. Zij waren nu met de kring van gevallen engelen in betrekking. Zij ontvingen uit zichzelf en uit de aarde, waarmee de gevallen engelen betrekking hadden, en er ontstond in de oneindige vermenging en verstrooiing van de mensen met henzelf en de gevallen natuur een oneindige menigvuldigheid van zonde, schuld en ellende. Mijn Bruidegom toonde mij dat alles zeer klaar, duidelijk en begrijpelijk. Hij toonde mij het plan en de wegen van de Verlossing van het begin af, en alles wat Hij gedaan had. Ik herkende ook, het weze onjuist het te zeggen, dat God niet nodig had mens te worden en te sterven voor ons aan het kruis, Hij had het door zijn Almacht anders kunnen doen. Ik zag dat Hij handelde uit oneindige volmaaktheid, barmhartigheid en rechtvaardigheid; dat het zonder twijfel geen verplichting is vanwege God, maar dat Hij doet wat Hij doet, en is wat Hij is.
Het is ook na de zondeval toen Adam en Eva zich begonnen voort te planten dat de verwildering van de mens intrad. Het begon bij Kaïn, die zijn broer Abel doodsloeg. Kaïn werd door God verbannen en Kaïns nakomelingen werden donkerder van huidskleur. De mens verwilderde, de duivelen namen mensenvrouwen in hun bezit en het menselijk ras ontaardde zodanig dat God besloot ze geheel uit te roeien, behalve Noah en zijn familie. Na Noah was er opnieuw verwildering van de mens. De nakomelingen van hen die zich van God verwijderden werden steeds donkerder van huidskleur. Zo beschrijft Anna Katharina Emmerick hoe de mensenrassen zijn ontstaan.
Ik zag de vervloeking van Cham (Gen. 9,18-27); Sem en Jafet echter ontvingen van Noë de zegen, daar zij voor hem knielden, zoals ik later Abraham de zegen aan Isaak zag overgeven. De vloek, die Noë over Cham uitsprak, zag ik als een zwarte wolk tegen hem aankomen en hem verduisteren. Hij was niet meer zo wit als voorheen. Zijn zonde was die van een heiligschennis, zoals die van iemand die in de Ark van het Verbond had willen binnendringen. Uit Cham zag ik een zeer verdorven geslacht ontstaan, die altijd maar dieper in de verduistering geraakte. Ik zie de zwarte, heidense en heel dwaze volkeren als afstammelingen van Cham, en dat hun kleur niet door de zon, maar uit de donkere oorsprong van het verdorven ras is ontstaan. Het is niet mogelijk te vertolken, hoe ik volkeren zag aangroeien en zich uitbreiden en op alle manieren zag verduisteren, en hoe uit hen toch weder menig heldere draden stroomden en het licht zochten.
Boete-aarde, fossielen en dateringsmethoden
Het feit dat er onderscheid wordt gemaakt tussen Paradijs en boete-aarde toont duidelijk aan dat de aarde die wij nu kennen niet de aarde kan zijn waarop de mens “geëvolueerd” zou zijn uit lagere diersoorten. Ook alle andere zogenaamde fossielen die hier worden gevonden zijn geen miljoenen jaren oud. Ikzelf heb mij nog bezig gehouden met het verzamelen van fossielen in de jaren dat ik aan de unief zat. Op fossiel.net heb ik bijgedragen aan het determinatiesysteem door enkele vondsten in te voeren; hier een voorbeeld:

Dit kaaksbeen dat ik indertijd invoerde als een fossiel van een wild zwijn kan evengoed een middeleeuws stuk kaak zijn van een varken.
In mijn speurtocht naar zogenaamde pleistocene fossielen die op het strand (dat in de 80-er jaren werd opgevoerd) aanspoelden waren, zaten vaak stukken waar duidelijk in gezaagd was, die doormidden gezaagd (wervels) of afgezaagd (femurs etc.) waren. Veel van die knekels waren eigenlijk afkomstig van koeien, varkens, schapen, o.a. van slachtafval dat in de jaren 1950 in zee werd gedumpt. Daar zaten wervels, kaaksbeenderen met tanden en zelfs eens een hele schedel tussen… Veel zaken waren wellicht ook middeleeuws of afkomstig uit de Romeinse periode (zoals de potscherven etc. die vaak ook op het strand gevonden worden). En die botten waren niet wit zoals men zou denken, die waren donkerbruin of zwart en zagen er fossiel uit. Het proces van verkleuring en mineralisatie gaat veel sneller dan men denkt. Ooit vond ik ook een menselijke wervel op het strand, totaal zwart gekleurd (ook na het drogen). Ik heb toen indertijd veel van die stukken opgeraapt en geruild als waardevolle fossielen, terwijl ik wist dat er daar veel rommel tussen zat. Ik had trouwens toen ook een grote collectie recente schedels en skeletten, wat de determinatie vergemakkelijkte. Een ander voorbeeld van ‘fossilisatie’: In de wijnkelder van mijn ouderlijke woning (daterend van 1900) heeft er altijd grondwater gestaan, er zijn uitsparingen gemaakt aan weerskanten van de vloer zodat men met droge voeten erin kon rondlopen. Dit grondwater is zeer rijk aan calciumwaterstofcarbonaat (kustregio met kalkrijk zand) en zorgde in de loop der eeuw voor een afzetting van een laag calciumcarbonaat (CaCO3), waarin dode pissebedden ingebed waren. Deze pissebedden waren ook al deels ‘gecalcifieerd’… Maar het waren in geen geval “fossielen.”
In 2016 was er in de wetenschappelijke wereld ophef omtrent de vondst van “gefossiliseerde zijde”.
Dit toont aan dat de fossielen waarvan men beweert dat ze zeer oud zijn, in feite veel jonger zijn en dat die levensvormen in een veel recenter tijdvak dienen geplaatst te worden, namelijk de tijd vóór de zondvloed, rond 4000 voor Christus. Het is dus niet dat ze niet bestaan hebben en dat God die fossielen in de grond zou gestopt hebben. De Zalige A.K. Emmerick kreeg ooit een bot van een mammoet in haar handen:
Toen men eens een stuk been van een oerdier, waarvan men toen nog niets naders afwist, bij Katharina bracht, zag zij opeens een kudde witte dieren en zij beschreef nauwkeurig de mammoet, van welk dier het stuk been blijkbaar afkomstig was. Natuurgeleerde Malfatti, maakte later op die beschrijving de volgende bedenking: “In het jaar 1821, wanneer men het bestaan van dat dier nog niet vermoedde en waarvan K. ook de naam niet kende, beschreef zij nochtans dit dier zo juist als wij het pas sedert 1901, na de vondst van een mammoetgeraamte aan de Beresowska-rivier in Siberië enigszins vermogen te doen. De beschrijving die K. ervan geeft, vindt men in haar leven door Schmöger beschreven: ‘Vie d’A.C.E’, III, 438.
Een ander voorbeeld is het zacht weefsel gevonden in dinosauriërbotten. Er werden zelfs rode bloedcellen teruggevonden in een fossiel van een T-Rex. in 2005 werden door wetenschappers van de Universiteit van Noord Carolina origineel biologisch weefsel ontdekt, met transparante en buigzame bloedvaten die rode bloedcellen bevatten. Zie deze en andere T-Rex fotos in het Smithsonian Magazine en MS-NBC en een vroeg verslag van National Geographic.

Bloedcellen die teruggevonden werden in de T-Rex-botten. Foto: kgov.com

‘Shocker’: Rode bloedcellen die in de het dijbeen van een T-Rex werden gevonden.
Zie ook deze video:
Mooi ander voorbeeld is dit artikel in National Geographic van een aantal jaar geleden:

Oudste dinosaurusproteïnen gevonden – bloedvaten en meer… Dit kan onmogelijk in een fossiel van 80 miljoen jaar! En toch maar blijven volhouden!
>In een artikel op de site “All about God” staat hierover:
Het is interessant dat Genesis 1:21 beschrijft hoe God de zeedraken (“tannin”) op de vijfde dag schiep. In de tegenwoordige Bijbelvertaling wordt dit woord vertaald als “grote zeemonsters” (NBV, WV95), “grote walvissen” (Statenvertaling) en “grote zeedieren” (NBG51, GNB96). Maar, het originele Hebreeuws geeft beschrijvingen die beter passen bij de maritieme dinosauriërs die we tegenwoordig in talrijke musea over de hele wereld kunnen bewonderen. Het boek Job is nog dramatischer. Hierin beschrijft de auteur het grote landdier Behemoth (Job 40) en het grote waterdier Leviathan (Job 41). Hoewel de nieuwere Bijbelvertalingen in plaats hiervan de woorden “olifant”, “nijlpaard” of “krokodil” gebruiken, laten het originele Hebreeuws en de context van de beschrijvingen geen ruimte voor deze interpretaties.
Beschrijvingen van wezens, die veel lijken op beschrijvingen van dinosauriërs, kunnen bijna universeel door alle culturen in de oudheid heen worden aangetroffen. Waar kwam dit wereldwijd idee vandaan? Hoe konden maatschappijen over de hele wereld deze wezens op zo’n uniforme wijze beschrijven, vastleggen, tekenen, etsen, stikken en uithouwen, als zij deze niet met eigen ogen gezien hadden? Natuurlijk zijn de beschrijvingen van draken niet beperkt tot de Bijbel. Verhalen uit China, Europa, het Midden-Oosten en het oude Latijns-Amerika bevatten vergelijkbare beschrijvingen van “draken” en andere beesten. Verslagen van Marco Polo in China vertellen bijvoorbeeld dat het koninklijk huis draken hield voor ceremonies. Werken van de Griekse historicus Herodotus en de Joodse historicus Josephus beschrijven vliegende reptielen in het oude Egypte en Arabië. In andere culturen was het een grote eer om deze beesten te doden. Er zijn talrijke verslagen van strijders die dergelijke grote beesten doodden om geloofwaardigheid in een stad op te bouwen. Gilgamesj, Fafnir, Beowulf en andere beroemde legenden, inclusief de mythologie uit de Egyptische, Griekse en Romeinse oudheden, bevatten specifieke beschrijvingen van draken en andere dinosauriërs.
Dinosauriërs kunnen op talrijke oude kunstobjecten over de hele wereld worden aangetroffen. Op dinosauriërs lijkende wezens worden voorgesteld op Babylonische markeringen, Romeinse mozaïeken, Aziatisch aardewerk en koninklijke gewaden, Egyptische gewaden voor begrafenissen en overheidszegels, Peruaanse grafkeien en tapijten, Mayaanse beelden, petrogliefen (uitgehouwen rotstekeningen) van Aborigines en Indianen en vele andere ceremoniële kunstvoorwerpen uit de oudheid. Als dinosauriërs werkelijk al 50 miljoen jaar geleden (of nog eerder) uitstierven, hoe konden mensen in de oudheid, pas enkele duizenden jaren geleden, deze wezens dan zo nauwkeurig en consequent afbeelden? De Bijbel is duidelijk: zeedieren werden door God op de vijfde dag geschapen en landdieren werden door God op de zesde dag geschapen. Onder deze dieren bevonden zich de dinosauriërs, die met de mens samenleefden tot zij door diverse oorzaken uitstierven. De belangrijkste oorzaak was vermoedelijk de wereldwijde zondvloed van Noach.
A.K. Emmerick beschrijft ook regelmatig het bestaan van draakachtige wezens op duistere en verlaten plaatsen op aarde, in de tijd vóór Christus. Het ‘verstenen’ van de skeletten van dieren en de sedimenten kan veel sneller gebeuren dan men denkt.
God heeft de boete-aarde tevoorschijn laten komen, ca 4000 jaar vóór Christus, zoals we die nu kennen, met gebergten, gesteenten, enzovoort. Niets evolutie, oercontinent Pangea dat uiteendreef, enzomeer. Het was er in één ogenblik. Over de valse tijdsrekening (o.a. ook bij de Egyptenaren die vaak in hun tijdsnotaties tijdspannen verdubbelden van aantal jaren, om meer indruk te wekken) zei Emmerick:
Die valse tijdsrekeningen en dat aanhitsen van de afgodenpriesters heb ik onder de sabbatleer in Aruma gezien, waar Jezus voor de Farizeeën sprak over het beroep van Abraham en zijn verblijf in Egypte en de Egyptische tijdsrekening weerlegde. Jezus zei aan de Farizeeën dat de wereld nu 4028 jaar bestond; en toen ik Jezus dat hoorde spreken, was hijzelf 31 jaar oud.
Dit komt overeen met wat de Kerkvaders altijd al hebben geleerd op grond van de H. Schrift.
Het is een feit dat de dateringsmethoden waarmee ze ons de leeftijd van een zogenaamd fossiel of gesteente willen bewijzen, niet te vertrouwen zijn en vaak neerkomen op de natte-vingermethode of een wilde gok, met allerhande onzekerheden en gissingen. Deze wetenschapstechnieken zijn zo lek als een zeef.
Radiometrie moet het bijvoorbeeld stellen met de concentratie van radioactieve moeder- en dochterisotopen, en op basis van beide hoeveelheden wordt de ouderdom van iets geschat, aan de hand van de “halveringstijd” van dat isotoop. Probleem is dat die halveringstijd niet met zekerheid kan bepaald worden (zeker als het over zeer lange tijd gaat, want niemand kan bewijzen dat de berekende halveringstijd ook de effectieve halveringstijd is ) én dat het exact aantal isotopen in een staal moeilijk te extrapoleren valt naar het gehele fossiel of stuk gesteente, er kan variatie in zitten door een hele reeks factoren, waardoor er tal van onzekerheden zijn en er aannamen moeten gedaan worden (dus weer de natte vinger). Zo kunnen moeder- en dochterisotopen willekeurig in de tijd toegevoegd of ontsnapt zijn uit het materiaal. Niemand kent het exact aantal moederisotopen in een bepaald staal op tijdstip t(0). De gebruikte analysetechnieken kunnen op velerlei manieren fouten inbrengen en zijn bijgevolg niet betrouwbaar. Enkel voor isotopen met een zeer korte halveringstijd (dagen of enkele jaren) is Radiometrie betrouwbaar, omdat dit dan ook geverifieerd werd.
Zelfs C-14 tests kunnen niet als betrouwbaar worden beschouwd voor oude “fossielen”, ouder dan de halveringstijd van C-14 van 5736 jaar, want de atmosferische ratio van C-12/C-14 is niet in evenwicht, wat tal van problemen met zich meebrengt. In een zeer uitvoerig en wetenschappelijk artikel op ‘Answer in Genesis‘ lezen we:
Koolstof-14 (14C), ook bekend als radiocarbon, wordt als een betrouwbare dateringsmethode gezien voor het determineren van de leeftijd van fossielen tot 50.000 à 60.000 jaar. Indien deze claims waar zijn, is de Bijbelse berekening van een jonge aarde (rond de 6000 jaar) in vraag, omdat 14C -dateringen van tienduizenden jaren algemeen zijn.
Wanneer de interpretatie van data door een wetenschapper niet overeenkomt met de duidelijke betekenis van de tekst in de Bijbel, zouden we nooit de Bijbel moeten herinterpreteren. God weet juist wat Hij wilde zeggen, en Zijn begrip van wetenschap is onfeilbaar, terwijl het onze feilbaar is. Zodus zouden we nooit mogen denken dat het noodzakelijk is om Zijn Woord te veranderen. […] Omdat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is, zouden we de geldigheid van de standaard interpretatie van 14C-datering moeten onderzoeken door het stellen van verschillende vragen:
- Is de uitleg van de data die onttrokken wordt van emperische, observationele wetenschap, of de interpretatie van verleden gebeurtenissen (historische wetenschap)?
- Zijn er enige veronderstellingen betrokken in de dateringsmethode?
- Zijn de datums die door 14C-datering worden voorzien consistent met wat we observeren?
- Aanvaarden alle wetenschappers de 14C-dateringsmethode als betrouwbaar en accuraat?
C-14 wordt in de atmosfeer gemaakt door kosmische straling die N-14 door middel van een hoog-energetisch neutron omzet in C-14, waardoor een H-1 proton vrijkomt. C-14, samen met andere koolstofisotopen (C-12 en C-13), reageert met zuurstof om CO2 te vormen. Planten absorberen alle drie isotopen tijdens fotosynthese. Dieren absorberen C-14 wanneer ze planten consumeren. Indien een dier sterft, stopt de opname van C-14 en de concentratie in het dode dier neemt af en ontbindt terug tot N-14, met een halfwaardetijd van 5736 jaar (dus na 1 halfwaardetijd is er nog de helft zoveel C-14 aanwezig in een bot, dan op het tijdstip van overlijden).
[...]
Een kritische veronderstelling die gebruikt wordt in koolstof-14-datering heeft te maken met die ratio (14C / 12C ). Het wordt verondersteld dat de ratio van 14C tot 12C in de atmosfeer altijd hetzelfde is geweest als vandaag (1 tot 1 biljoen). Indien deze veronderstelling waar is, dan is de AMS C-14 dateringsmethode geldig tot ongeveer 80.000 jaar. Voorbij dit getal zouden de instrumenten van de wetenschappers niet meer in staat zijn om genoeg overblijvende C-14 de detecteren, die bruikbaar zou zijn in leeftijdsschattingen. Dit is een kritische veronderstelling in het dateringsproces. Indien deze veronderstelling niet waar is, dan zal de methode incorrecte datums geven. Wat zou ertoe kunnen leiden dat deze ratio zou veranderen? Indien de productiesnelheid van 14C in de atmosfeer niet gelijk is aan de afnamesnelheid (meestal door middel van ontbinding), dan zal deze ratio veranderen. Met andere woorden, de hoeveelheid 14C die in de atmosfeer wordt geproduceerd moet gelijk zijn aan de hoeveelheid die wordt verwijderd om in een evenwichtige toestand te zijn (equilibrium). Indien dit niet zo is, dan is de ratio 14C tot 12C geen constante, wat ervoor zou zorgen dat het kennen van een beginhoeveelheid 14C in een specimen moeilijk zou zijn of onmogelijk om accuraat te determineren.
Dr. Willard Libby, de uitvinder van de koolstof-14-dateringsmethode, veronderstelde dat deze ratio constant zou zijn. Zijn redenering was gebaseerd op een geloof in de evolutie, die veronderstelt dat de aarde miljarden jaren oud moet zijn. Veronderstellingen in de wetenschappelijke wereld zijn extreem belangrijk. Indien de beginveronderstelling vals is, dan kunnen al de berekeningen gebaseerd op die veronderstelling correct zijn, maar toch een verkeerde conclusie geven. In het originele werk van Dr. Libby, merkte hij op dat de atmosfeer niet in equilibrium leek. Dit was een problematisch idee voor Dr. Libby, omdat hij geloofde dat de wereld miljarden jaren oud was en er genoeg tijd was verstreken om het equilibrium te bereiken. Dr. Libby’s berekeningen toonden dat indien de aarde was begonnen met geen 14C in de atmosfeer, het tot 30.000 jaar zou duren om een stabiele toestand te bereiken (equilibrium).
Indien de kosmische straling op z’n huidige intensiteit is gebleven voor 20.000 tot 30.000 jaar, en indien het koolstofreservoir niet merkbaar is veranderd in deze tijd, dan bestaat er op het huidige tijdstip een complete balans tussen de snelheid van desintegratie van radiocarbonatomen en de snelheid van opstapeling van nieuwe radiocarbonatomen voor al het materiaal in de levenscyclus.
Dr. Libby koos ervoor om deze wanverhouding (niet-evenwichtsbalans), en hij wees dit toe aan een experimentele fout. Echter, de wanverhouding bleek helemaal waar te zijn. De ratio 14C /12C is niet constant.
De Specifieke Productiesnelheid (SPS) van C-14 is 18.8 atomen per gram koolstof per minuut. De Specifieke Ontbindingssnelheid (SOS) is slechts 16.1 desintegraties per gram per minuut.
Wat betekent dit? Als het 30.000 jaar duurt om het equilibrium te bereiken en 14C is nog niet in equilibrium, dan is de aarde wellicht niet zeer oud.
[…]
Genesis Vloed
Welke rol zou de Zondvloed kunnen hebben gespeeld in de hoeveelheid koolstof? De Vloed zou grote hoeveelheden koolstof van levende organismen (planten en dieren) begraven hebben om de fossiele brandstoffen van vandaag te vormen. De hoeveelheid fossiele brandstoffen toont aan dat er een veel grotere hoeveelheid vegetatie bestond vóór de Vloed dan er vandaag bestaat. Dit betekent dat de biosfeer net voor de Vloed misschien wel 500 keer meer koolstof in levende organismen had dan vandaag. Dit zou verder de hoeveelheid 14C verdunnen en ervoor zorgen dat de 14C/12C ratio veel kleiner was dan vandaag.
Wanneer de Vloed in acht wordt genomen, samen met de afname van het magnetisch veld, dan is het aanneembaar om te geloven dat de veronderstelling van equilibrium een valse veronderstelling is. Vanwege deze valse veronderstelling, zal gelijk welke leeftijdsschatting die de 14C gebruikt van vóór de Vloed, een veel oudere leeftijd geven dan de werkelijke leeftijd. Pre-Vloed materiaal zou misschien tien keer de werkelijke leeftijd gedateerd worden.
De bevindingen van de RATE-groep
In 1997 werd een 8-jarig onderzoeksproject gestart om de leeftijd van de aarde te onderzoeken. De groep werd de RATE-groep genoemd (Radioisotopes and the Age of the Earth). Het team van wetenschappers omvatte:
- Larry Vardiman, PhD Atmospheric Science
- Russell Humphreys, PhD Physics
- Eugene Chaffin, PhD Physics
- John Baumgardner, PhD Geophysics
- Donald DeYoung, PhD Physics
- Steven Austin, PhD Geology
- Andrew Snelling, PhD Geology
- Steven Boyd, PhD Hebraic and Cognate Studies
Het doel was om gegevens te verzamelen die algemeen genegeerd of gecensureerd wordt door de evolutionaire standaarden datering. De wetenschappers onderzochten de veronderstellingen en procedures de gebruikt worden in het schatten van de leeftijden van stenen en fossielen. De resultaten van de koolstof-14-datering wezen op serieuze problemen voor lange geologische tijdperken. Bijvoorbeeld, een reeks gefossiliseerde houtstalen die conventioneel gedateerd werden volgens hun gastheer-grondlagen, uit het Tertiair tot het Perm (40-250 miljoen jaar) hadden allemaal significante, meetbare hoeveelheden koolstof-14 die de leeftijd die gewoonlijk zouden overeenkomen met 30.000 tot 40.000 jaar “leeftijd” voor de originele bomen. Op gelijkaardige wijze resulteerde een onderzoek van conventionele radiocarbonverslagen in meer dan veertig voorbeelden van zogezegde stokoude organische materialen, inclusief kalksteen, dat koolstof-14 bevatte, zoals aangegeven door leidende laboratoria.
Er werden ook stalen genomen van verschillende steenkoollagen, die volgens evolutionisten, verschillende tijdsperioden vertegenwoordigen in de geologische kolom (Cenozoïcum, Mesozoïcum en Paleozoïcum). De RATE-groep verkreeg deze tien koolstalen van het Amerikaanse Departement van de Energiekolenstalenbank, van stalen die verzameld werden van grote steenkoolvelden in de VS. De gekozen kolenstalen, die gedateerd waren op miljoenen tot honderden miljoenen jaren op de standaard evolutie-tijdslijnschattingen, bevatten allemaal meetbare hoeveelheden 14C. In alle gevallen werden zorgvuldige voorzorgsmaatregelen genomen om gelijk welke mogelijkheid tot contaminatie van andere bronnen te elimineren. De stalen uit alle drie de “tijdsperioden” vertoonden significante hoeveelheden 14C. Dit is een betekenisvolle ontdekking. Omdat de halfwaardetijd van 14C relatief kort is (5730 jaar) zou er geen meetbare 14C meer mogen overblijven na ongeveer 100.000 jaar. De gemiddelde geschatte leeftijd voor alle lagen van deze drie tijdsperioden was ongeveer 50.000 jaar. Echter, indien men een meer realistische pre-Vloed 14C/12C ratio gebruikt, dan wordt die leeftijd teruggebracht tot ongeveer 5000 jaar.
Omdat de levensduur van 14C zo kort is, vormen deze AMS-metingen (Accelerator Mass Spectrometer) een duidelijke bedreiging voor de standaard geologische tijdschaal die miljoenen tot honderden miljoenen jaren toeschrijft aan dit deel van de rotslaag.
[…]
Conclusie
Alle radiometrische dateringsmethoden zijn gebaseerd op veronderstellingen over gebeurtenissen die in het verleden plaatsvonden. Indien de veronderstellingen als waar worden aangenomen (zoals typische wordt gedaan in het evolutionair dateringsproces), kunnen resultaten vooringenomen worden naar een gewenste leeftijd. In de weergegeven leeftijden in tekstboeken en andere verslagen, werden deze evolutionaire veronderstellingen niet in vraag gesteld, terwijl de resultaten die inconsistent waren met hoge leeftijden gecensureerd werden. Wanneer de veronderstellingen geëvalueerd werden, en gebrekkig werden bevonden, steunden de resultaten het Bijbelse gegeven van een globale vloed en een jonge aarde. Christenen hoeven niet bang te zijn van radiometrische dateringsmethoden. Koolstof-14-datering is werkelijk de vriend van Christenen, omdat het een jonge aarde ondersteunt.
Het probleem vandaag is dat de ‘atheïstische’ wetenschap vandaag ‘god’ is, en niemand mag dat in vraag stellen of men wordt als achterlijk beschouwd. Treffend is hierin het voorbeeld van de ontdekking van bloedvaten en rode bloedcellen in dinosauriërbotten. De wetenschappers die dit ontdekt hadden waren bang om dit naar buiten te brengen, uit vrees om uitgelachen te worden.
Wie hierin dieper wil graven wil ik nog graag dit artikel aanbevelen: Lijst met dingen die niet zo oud zijn.
Adam en Christus
Paulus beschrijft in zijn brief aan de Romeinen hoe de zonde door één mens in de wereld kwam, en hoe door één Mens de Verlossing kwam:
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben. Er was immers reeds zonde in de wereld, voor de wet er was; maar zonde wordt niet aangerekend, waar geen wet is. Toch heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van de Mens die komen moest. Maar de genade van God laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam. De fout van een mens bracht allen de dood, maar allen schonk Gods genade rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus. Zijn gave is sterker dan die ene zonde. Het oordeel dat volgde op de ene misstap liep uit op een veroordeling, maar de gratie die na zoveel overtredingen verleend werd betekende volledige kwijtschelding. Door toedoen van een mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dankzij de ene mens Jezus Christus. Dit betekent: een fout leidde tot veroordeling van allen, maar een goede daad leidde tot vrijspraak en leven voor allen. En zoals door de ongehoorzaamheid van een mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Een allen worden gerechtvaardigd. (Rom. 5,12-19)
Adam is de eerste mens die de zonde in de wereld bracht, en daarmee ook de dood. Christus is de tweede Adam, en Maria de tweede Eva (Eva kwam uit Adam, Christus kwam uit Maria). Door Christus kwam het heil, de Verlossing en werden de deuren van de Hemel opnieuw geopend en werd de zonde en de dood overwonnen. Allen die in Hem geloven en in staat van genade sterven, zullen eeuwig leven bezitten en verrijzen op de Jongste Dag om samen met Christus te heersen in Zijn Koninkrijk (het hersteld Paradijs).
Over Adam en Christus’ Kruisoffer vertelt A.K. Emmerick:
Ik zag de diep geheimzinnige betekenis van het gebruik van heilige gebeenten bij het opdragen van offers; ook – wat een navolging ervan is – de betekenis van het gebruik van relikwieën in de altaarsteen waarop de mis wordt gedaan. Ik zag gebeenten van Adam berusten vlak onder de plaats van Jezus’ kruis. Ik keek ter zijde in een spelonk en zag het hele geraamte van Adam liggen, behalve de rechterarm, de rechtervoet en een ribbe uit de rechterzijde, zodat ik door de opening van de ontbrekende ribbe kijkend, de linkerbinnenzijde zag. Rechts van het geraamte zag ik ook de schedel van Eva, juist op het punt waaruit zij uit Adam genomen was. Mij werd meegedeeld dat er betrekkelijk deze kwestie (Adam in de Calvarieberg begraven) veel twist en onenigheid bestaat, maar dat het graf van Adam en Eva van onheuglijke tijden daar geweest was en dat hun gebeente daar nog berust. Ten gevolge van de zondvloed is daar, waar vroeger geen berg was, de Calvarieberg ontstaan. Ik zag dat de zondvloed dit graf heeft ontzien, dat Noë het gebeente gedeeltelijk bij zich in de Ark heeft gehad en het bij zijn eerste offer op het altaar heeft gelegd en dat Abraham later hetzelfde heeft gedaan met gebeenten van Adam, die hem via Sem waren geworden. Zo is dan het bloedig offer van Jezus aan het kruis boven de beenderen van Adam een inzet van het H. Misoffer, waarbij zich altijd relikwieën in de altaarsteen bevinden.
De evolutietheorie moet dus in het geheel verworpen worden, want anders kan er nooit sprake zijn van Adam, de eerste mens. Want dan is St. Paulus een leugenaar, is Genesis maar een fabeltje, en is Christus gekomen om te sterven gewoon uit solidariteit met de armen en de verdrukten van zijn tijd. En tenslotte mag je je hele Bijbel in de vuilbak gooien, want dan is het allemaal een leugen. Want wie één iets verwerpt, verwerpt bijgevolg alles, want de Schrift is geen onsamenhangende verzameling van oude verhalen!
Uiteindelijk moet je weten dat al die zogezegde voorouders van de mens niets anders zijn dan enkele overblijfselen van apen; vaak baseren ze een één of andere “tussensoort” op één enkel schedelfragment waar een tijdstip op werd geplakt…

Wie is dan Adam op deze voorstelling? De chimpansee uiterst links?

Wie van hen is dan Adam? De berggorilla boven in het midden?
Er kan maar één Waarheid zijn, en dat is deze die ons werd overgeleverd door de H. Schrift en de goedgekeurde openbaringen. Als de bazuin zal weergalmen, het Teken van de Mensenzoon aan de hemel zal verschijnen en Christus op de wolken zal komen om levenden en doden te oordelen zullen zij die Hem tot de laatste zucht zullen verworpen hebben en volgehouden hebben dat God niet bestaat en wij een product van evolutie zijn, Gods aanschijn nooit zien, en nooit kunnen genieten van de prachtige, volmaakte toekomst die allen te wachten ligt die met eenvoud van hart geloven wat Hij ons door de H. Kerk heeft geleerd. Christus zal de leugen dan eens en voorgoed ontmaskeren, en de Waarheid zal triomferen.
“Zalig de armen van geest”, zei Christus. Dit slaat op zij die met een eenvoudig hart aannemen wat God hen openbaart door Zijn Woord en zijn Kerk: de Schrift en de Apostolische Geloofsbelijdenis: “Ik geloof in God de Almachtige Vader, Schepper van Hemel en Aarde.”
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.” (Matt. 11,25-27)
“Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen. Want aan hen die zijn zoals zij behoort het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.” (Marc. 10, 14-15)
Amen.
Verraderlijke filosofie?
(van http://www.gelooft.com)
Laat me eens uitleggen welke problemen de wetenschap heeft met Jezus Christus. De Atheïstische professor in filosofie pauzeert even terwijl hij de klas in kijkt en vraagt dan aan één van zijn nieuwe studenten om op te staan. Je bent een christen, of niet jongen?
Jazeker meneer! Dus je gelooft in God?
Absoluut!
Is God goed?
Tuurlijk is God goed.
Is God oppermachtig? Kan God alles?
Ja.
Ben jij goed of slecht?
De bijbel zegt dat de mens slecht is.
De professor grijnst. Aahh! DE BIJBEL! Hij wacht even. Nu heb ik een vraag voor je. Stel je voor dat er hier een persoon aanwezig is die ziek is. En jij kunt hem genezen. Je kunt het! Zou je hem helpen? Zou je het proberen?
Ja meneer, dat zou ik doen
Dus ben je goed…!
Dat wil ik niet zeggen
Waarom niet? Je zou een zieke of gewonde man helpen als je kon… Eigenlijk zouden we dat allemaal doen als we zouden kunnen… God niet.
[Geen antwoord]
Hij zou dat niet doen, of wel? Mijn broer was een christen en is gestorven aan kanker ook al heeft hij gebeden tot Jezus om hem te genezen. Hoe kan deze Jezus goed zijn? Hmmm? Kun je hier een antwoord op geven?
[Geen antwoord]
De oudere professor zegt gemaakt sympathiek: Nee, daar heb je geen antwoord op hè? Langzaam neemt hij een slokje water van een glas op zijn bureau om de student even tijd te gunnen zich te ontspannen. In filosofie moet je niet al te hard zijn voor beginners! Laten we opnieuw beginnen, jongeman.
Is God goed?
Eh…. Ja.
Is de duivel goed?
Nee.
Waar komt de duivel vandaan?
De student stottert: Van God
Dat klopt. God maakte Satan, of niet?
De oude man strijkt met zijn bottige vingers door zijn dunne grijze haar en keert zich tot het grijnzende publiek. Ik denk dat wij een heel leuk semester krijgen dames en heren. Dan keert hij zich weer tot de Christen. Vertel me eens jongen, is er kwaad in de wereld?
Ja meneer.
Het kwaad is overal, of niet? Heeft God alles gemaakt?
Ja.
Wie heeft dus ‘het kwaad’ gemaakt?
[Geen antwoord]
Is er ziekte in de wereld? Zedeloosheid? Haat? Pijn en verdriet? Al deze verschrikkelijke dingen – bestaan die in deze wereld?
De student knijpt zijn tenen samen en zegt: Ja.
Wie heeft die gemaakt?
[Geen antwoord]
De professor schreeuwt plotseling tegen de student: WIE HEEFT ZE GEMAAKT? ZEG HET ME ALSJEBLIEFT! De professor komt steeds dichter in de buurt van de student en kijkt diep in de ogen van de Christen. Dan met een hele zachte stem fluistert de professor: God heeft al het kwaad gemaakt hè is het niet?
[Geen antwoord]
De student probeert zijn gezicht strak en in de plooi te houden maar het lukt hem niet.
Opeens draait de leraar zich naar de klas. De klas is een en al aandacht. Vertel me eens, gaat hij verder, Hoe kan het dat deze God goed is terwijl Hij al het kwaad heeft gemaakt vanaf het begin der tijden? De professor zwaait met zijn arm in de rondte om de slechtheid van de wereld aan te geven. Al die haat, de grofheid, de pijn, de martelingen, en al die doden, het verdriet en het lijden, gemaakt door deze goede God, overal in de hele wereld, of niet soms jongeman?
[Geen antwoord]
Je ziet het overal? Toch?
[Stilte]
Of niet?
De professor leunt weer dichter naar de student en fluistert in zijn gezicht: Is God goed?
[Geen antwoord]
Geloof jij in Jezus Christus, jongen?
Met een gebroken stem zegt de student. Ja, professor ik geloof in Jezus Christus.
De oude man schudt verdrietig met zijn hoofd. De wetenschap toont aan dat de mens vijf zintuigen heeft om de wereld om je heen te herkennen en te observeren. Heb jij Hem ooit gezien?
Nee meneer, ik heb Hem nog nooit gezien.
Vertel ons dan eens, heb jij jouw Jezus ooit gehoord?
Nee meneer, dat heb ik niet.
Heb je jouw Jezus ooit gevoeld, geproefd of geroken…. Met andere woorden, heb jij ooit iets met je zintuigen waargenomen in wat voor zin dan ook?
[Geen antwoord]
Antwoord mij alsjeblieft
Nee meneer, ik ben bang van niet.
Je bent BANG… van niet?
Inderdaad
Toch, geloof jij nog steeds in Hem?
…ja…
Daar heb je GELOOF voor nodig De wijze professor glimlacht naar de student. Volgens het reglement van het proefondervindelijke, testbare, aanwijsbare protocol, zegt de wetenschap dat jouw God niet bestaat. Wat heb je daarop te zeggen jongen? Waar is jouw God nu?
De student geeft geen antwoord en kijkt verslagen naar de grond.
Je mag gaan zitten
De Christen gaat terug naar zijn plek. Dan steekt een andere christen zijn hand op. Professor, mag ik de klas toespreken? De professor kijkt op en grijnst. Ah, nog een christen aan het front! Kom, kom, jongeman. Spreek wat wijze woorden naar de menigte.
De christen loopt naar voren en kijkt even de klas door U heeft wat interessante punten genoemd meneer. Nu heb ik alleen een vraag voor u. Bestaat hitte?
Ja, zegt de professor, hitte bestaat.
Bestaat koude?
Ja jongen, kou bestaat ook.
Nee meneer dat bestaat niet.
De grijns van de professor verdwijnt. Er valt een ijzige stilte.
De tweede christen vervolgt: Wat is warmte? Je hebt heel veel dingen die je warmte noemt; warmte, zelfs nog meer dan warmte, superwarm, megawarm, witheet, een beetje warm, of niet warm. Maar we hebben niets wat is genaamd koud! We kunnen 273 graden onder nul. Het absolute nul punt. Maar verder dan dat kunnen we niet gaan. Er bestaat dus niet iets wat heet kou anders zouden we verder kunnen gaan dan 273 graden onder nul. Je ziet nu meneer dat ‘kou’ is alleen maar een woord om de afwezigheid van hitte aan te geven. Je kunt kou niet meten. Wanneer is iets koud? Warmte kun je meten in thermische eenheden omdat warmte energie is. Koude is dus niet het tegenovergestelde van warmte maar de afwezigheid daarvan.
[Doodse stilte]
Bestaat donker, professor?
Dat is een domme vraag jongen. Wat is nacht als het niet donker zou zijn? Waar wil je nou precies naar toe…?
Dus u zegt dat er iets bestaat wat we noemen: donker
Ja…..
U hebt het weer fout meneer! Donker is niet iets. Het is de afwezigheid van iets. Je kunt gedimd licht hebben, normaal licht, fel licht, knipperend licht, maar als er absoluut geen licht aanwezig is dan noemen we dat donker, of niet? Het is de betekenis die we aan het woord geven. In werkelijkheid is donker niets. Als het ‘iets’ was dan zouden we donker donkerder kunnen maken. Kan dat? Geef me eens een potje donkerdere donker professor?
Tegen zijn wil in glimlachte de professor naar deze vrijpostige, jonge moedige student. Dit wordt inderdaad een goed semester. Zou je zo vriendelijk willen zijn om ons te vertellen waar je naar toe wil?
Jazeker professor. Wat ik wil zeggen is, uw filosofische veronderstellingen waar uw conclusie op gebaseerd is, falen…
De professor reageert als door een mug gestoken. Falen…? Hoe durf je…!
Meneer, zal ik uitleggen wat ik bedoel?
[De klas wordt rumoerig]
Leg dat maar eens uit! De professor doet een heuse poging de controle weer terug te krijgen en zwaait met zijn hand om de klas tot stilte te manen om de student zijn uitleg te laten geven.
U veronderstellingen zijn tweevoudig. Legt de christelijke student uit. Als voorbeeld stelt u dat er leven is en dood, een goede God en een slechte. U ziet het begrip God als iets wat een eind heeft. Iets wat we kunnen meten. Meneer, de wetenschap kan niet eens een gedachte uitleggen. Zij gebruikt elektriciteit en magnetisme maar heeft het begrip gedachtes nog nooit gezien noch uit kunnen leggen. Als we dood als het tegenovergestelde van leven zien dan is dat onkundig omdat ‘dood’ niet bestaat als zijnde een ding! Dood is niet het tegenovergestelde van leven maar de afwezigheid ervan. De jongeman houdt een krant omhoog die hij zojuist van een schoolbank af heeft gepakt Dit is één van de verzamelingen van afschuwelijke berichten van dit land en daarbuiten professor. Bestaat er onzedelijkheid? Natuurlijk bestaat onzedelijkheid, luister nu eens goed….
Dat is weer onjuist meneer, ziet u, onzedelijkheid is slechts de
afwezigheid van zedelijkheid. Bestaat onrecht? Nee, onrechtvaardigheid is de afwezigheid van rechtvaardigheid. Bestaat het kwaad?
De student wacht even. Is het kwaad niet de afwezigheid van het goede? Het gezicht van de professor is rood aangelopen. Hij is zo boos dat hij geen woord kan uitbrengen.
De christelijke student gaat door. Als er kwaad in de wereld is professor, en we zijn het er allemaal over eens dat dat zo is, dan moet God wel bezig zijn met een werk te verrichten ondanks de aanwezigheid van het kwaad. Wat is dat werk dan? De bijbel vertelt ons dat elke persoon op aarde zal moeten kiezen voor goed of slecht.
De professor reageert vijandig: Als een filosofische wetenschapper zie ik niet dat dit iets te maken heeft met wat voor
keuze dan ook; realistisch gezien herken ik absoluut niet het begrip God of welk ander theologisch begrip dan ook wat invloed zou hebben op het goede of het kwade van deze wereld omdat God niet is waar te nemen.
Ik zou toch denken dat de afwezigheid van de wetten van God in de wereld een van de meest waar te nemen verschijningen is die er zijn. Antwoordt de student. De kranten staan er bol van. Professor, leert u uw studenten dat ze van de apen afstammen?
Als je refereert aan de evolutie theorie jongeman, dan is mijn antwoord, ja natuurlijk doe ik dat.
Heeft u ooit de evolutie waargenomen met uw eigen ogen meneer?
De professor laat wat valse lucht door zijn tanden gaan en kijkt de student aan met een starende blik.
Professor, omdat nog niemand ooit de evolutie met hun eigen ogen heeft waargenomen en zelfs is het niet bewezen dat de evolutie nog steeds zijn voortgang vindt, leert u dan niet uw ‘mening’ aan uw studenten? Bent u dan misschien geen wetenschapper maar een priester?
Ik zal je jouw onbeschoftheid in het kader van dit filosofische gesprek niet kwalijk nemen maar ben je nu eindelijk klaar? Sist de professor.
Dus u accepteert Gods wetten om te doen wat rechtvaardig is niet?
Ik geloof in wat er ‘is’, dat is wetenschap.
Aahh WETENSCHAP! De student krijgt een grijns om zijn mond. Meneer, u stelt dat de wetenschap de studie is van het waarneembare verschijnsel. Dan is wetenschap ook een overtuiging die faalt….
DE WETENSCHAP FAALT?! brult de professor
[De klas is in oproer]
De christelijke student blijft rustig staan en wacht tot de commotie enigszins bedaard is. Om door te gaan op het punt wat u eerder maakte tegen de student voor mij, kan ik een voorbeeld geven van wat ik bedoel.
De professor wacht wijselijk en geduldig af. De student kijkt de klas in en vraagt: Is er iemand in de klas die ooit de hersenen van de professor heeft gezien?
[Iedereen barst in lachen uit]
De student wijst naar de oudere professor. Is er iemand in de klas die ooit de hersenen van de professor heeft gehoord? …..Gevoeld? ….Aangeraakt of geroken?
Niemand heeft dat natuurlijk gedaan. De student schudt verdrietig met zijn hoofd. Het blijkt dat niemand hier ook maar enige zintuiglijke waarnemingen heeft van de hersenen van de professor. Volgens de regels van het proefondervindelijke, testbare, aanwijsbare protocol wetenschap VERKLAAR IK dat professor geen hersenen heeft!
[De klas is in chaos!]
De student gaat op zijn stoel zitten, want daar is een stoel tenslotte voor.
LikeLike
De evolutionisten beweren dat al het leven bij toeval is ontstaan. Inderdaad is zulks theoretisch mogelijk, maar de kans daarop is zo klein dat het praktisch onmogelijk is. Ik zal een voorbeeld geven uit het dagelijks bestaan om te illustreren wat ik bedoel. Als ik slagroom doe in mijn koffie zijn die twee in het begin gescheiden en na licht roeren niet meer. Aangezien elke molecuul koffie en room evenveel kans bezitten om ergens in het kopje te zitten, bestaat de theoretische mogelijkheid dat door verder roeren de koffie en room weer perfect gescheiden worden. Dat gebeurt echter nooit, zelfs niet een beetje, omdat de kans daarop zo klein is dat het praktisch onmogelijk is. De Darwinistische evolutietheorie is daarom je reinste kolder, …en dat durven ze wetenschap noemen!!!!
LikeLike
Indien de mens werkelijk uit de aap is ontstaan moet het mogelijk zijn om door natuurlijke selectie uit de mens weer een aap te creëren. Geen enkele wetenschapper haalt het in zijn hoofd om dit te proberen omdat hij weet dat dit experiment bij voorbaat tot mislukking is gedoemd. Ze weten drommels goed dat ze de zaak om de tuin leiden.
LikeLike
Waar zijn de ontelbare overgangsvormen van de ene naar de andere soort die er volgens de evolutietheorie zouden moeten zijn? Daar vindt men in de sedimenten niets van terug ondanks de uitzonderlijke rijkdom van het fossiel archief. Zie “Tempo and Mode in Evolution” van de gerenommeerde paleontoloog George Gaylord Simpson – Columbia University Press, New York # 1944, onder de sectie “Major Systematic Discontinuities of Record” (Belangrijke Stelselmatige Onderbrekingen in het Archief). Pagina 105 leest: “De vroegst bekende en meest primitieve leden van iedere orde bezitten al de fundamentele karaktertrekken van die orde, en in geen enkel geval is een bij benadering continue opeenvolging bekend van de ene orde naar de volgende. De breuk is in de meeste gevallen zo scherp en de afstand zo groot dat de oorsprong van de orde speculatief is en zeer omstreden”. En verder op pagina 107: “Deze stelselmatige afwezigheid van overgangsvormen beperkt zich niet tot zoogdieren, maar is een bijna universeel fenomeen…” Let wel, Simpson spreekt niet over afwezigheid maar ‘stelselmatige’ afwezigheid.
LikeLike