Spring naar inhoud

Uit de Navolging van Christus: Boek 3: Over de inwendige troost – Hoofdstuk 48: Over de dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven

De ziel. – Hoe zalig is het verblijf der hemelse stad! O heldere dag der eeuwigheid, die door geen nacht verduisterd, maar altijd verlicht wordt door de eeuwige Waarheid; o dag vol blijdschap en veiligheid, die nooit in het tegenovergestelde omslaat. Ach, dat die dag reeds aangebroken ware, en al het tijdelijke een eind had genomen! Die dag schijnt reeds voor de Heiligen in de volle glans van zijn eeuwige klaarheid; maar voor ons, pelgrims op aarde, niet dan van ver, en als in een spiegel (1). De burgers des hemels weten hoe vermakelijk die dag is ; maar de ballingen, kinderen van Eva, zuchten dat de tegenwoordige dag zo bitter en verdrietig is. De dagen van dit leven zijn kort en pijnlijk (2), vol smarten en ellenden: de mens wordt er door besmet door vele zonden, belemmerd door vele driften, benauwd door vele angsten, bekommerd door vele zorgen, verstrooid door nieuwigheden, gewikkeld in vele ijdelheden, omringd door dwalingen, overladen door veel arbeid, bezwaard met bekoringen, ontzenuwd door weelde, gepijnigd door gebrek. Ach, wanneer zullen deze kwellingen een einde nemen? Wanneer zal ik verlost worden van de ellendige slavernij der zonden? God, wanneer zal ik U alleen gedachtig zijn? Wanneer zal ik mij volkomen in U verheugen? Wanneer zal ik, zonder enig letsel, in de ware vrijheid des harten, zonder bezwaar van geest of lichaam wezen? Wanneer zal ik die vertrouwbare vrede genieten, die onverstoorbare en veilige vrede, vrede van buiten en van binnen, een alleszins vaste vrede. Goede Jezus, wanneer zal ik voor U verschijnen om U te zien? Wanneer zal ik de glorie van uw rijk aanschouwen, wanneer zult Gij mij alles in alles zijn? Ach, wanneer zal ik met U zijn in het rijk, dat Gij van eeuwigheid bereid hebt voor uw vrienden? (3) Ik ben hier gelaten, ellendige balling, in een vijandig land, waar dagelijks vele strijden en ongevallen elkander opvolgen. Vertroost mijn ballingschap, verzacht mijn droefheid, want al mijn begeerten verzuchten naar U. Alles wat de wereld mij tot troost aanbiedt, valt mij lastig.

Ik verlang vurig U innig te genieten : maar ik kan het niet bereiken. Ik wens mij bezig te houden met het hemelse, maar tijdelijke zaken en onverstorven driften drukken mij neder. Met het hart zou ik mij gaarne boven alle dingen verheffen maar het vlees houdt mij, tegen mijn wil, daaraan onderworpen.

Aldus strijd ik, ongelukkig mens, met mijzelf, en word ik mij tot eigen last (4), daar de geest omhoog wil, en het vlees altoos omlaag. O wat lijd ik inwendig, als ik aan het hemelse denk, en ik straks in mijn gebed word bestormd door een drom van zinnelijke bekoringen! O God, wijk van mij niet af, (5) en verlaat uw dienaar niet in uw gramschap (6). Laat uw schittering flikkeren, verdrijf de boze gedachten; werp uw pijlen (7), en verdrijf al de kwade ingevingen van de vijand. Roep al mijn aandacht op U ; doe mij vergeten al wat werelds is; geef dat ik alle zondige inbeeldingen dadelijk verfoei en verwerp. Eeuwige Waarheid, kom mij te hulp, opdat ik door geen ijdelheid ontroerd word. Ach, hemelse zoetheid! Daal in mijn hart, en alle onreinheid vlucht voor U weg. Vergeef mij ook, en handel met mij naar uw barmhartigheid, wanneer ik in het gebed aan iets anders denk dan aan U. Want ik belijd naar waarheid dat ik veelal zeer verstrooid ben. Dikwijls ben ik daar niet, waar ik lichamelijk sta of zit, maar ik ben eerder daar, waar mijn gedachten mij vervoeren. Ik ben, waar mijn gedachte is ; en mijn gedachte is allermeest waar het voorwerp van mijn liefde is. Wat mij natuurlijk behaagt of uit gewoonte vermaakt, komt mij terstond te binnen.

En daarom hebt Gij, o opperste Waarheid, uitdrukkelijk gezegd: Waar uw schat is, daar is ook uw hart (8). Indien ik de hemel bemin, zo verblijd ik mij in de voorspoed der wereld, en ik bedroef mij in haar tegenspoed. Indien ik het vlees bemin, zo verbeeld ik mij dikwijls wat vleselijk is. Als ik de geest bemin, daarvan spreek en hoor ik gaarne ; en daarvan neem ik de voorstelling mee naar huis. Maar gelukkig de mens, o Heer! die ter liefde van U alle schepselen uit zijn hart bant ; die de natuur geweld aan doet, en de begeerlijkheid van zijn vlees kruisigt door de vurigheid van de geest ; opdat hij met een rein geweten U een zuiver gebed moge opdragen, en, alle aardse dingen in- en uitwendig verlaten hebbende, waardig zij tot de Koren der Engelen te behoren.

1 Kor. 13:12 (2) Gen. 47:9 (3) Matth. 25:34 (4) Job 7:20 (5) Ps. 70:22 (6) Ps. 26:9

(7) Ps. 143:6 (8) Matth. 6:21

Oefening

Wat zal het baten de ellenden van dit leven te gevoelen en ze te bewenen, en naar de goederen van het andere te haken, indien wij niet trachten door het geduld en door de ootmoedigheid van de tijdelijke kwellingen een goed gebruik te maken, met die van Gods hand te aanvaarden, en te erkennen dat wij verdienen deze te lijden, en indien wij ons niet beijveren om die eeuwige goederen, naar welke wij zo vurig haken, door aanhoudende trouw te verdienen? O zalige dag! O eeuwige vreugde! O oneindig en altijddurend geluk! O vaste woning! O volheid van God in ons, en van ons in God! O verrukking! O zaligheid! O verandering van een gelukzalige ziel in haar God, die haar alles is! wanneer toch zal ik U bezitten? Maar wanneer zal ik verdienen U te bezitten? Mijzelf ten last, en vermoeid van het nutteloze van mijn begeerten, haak ik vurig naar U, o paradijs, en nochtans doe ik zo weinig om mij het eeuwig geluk waardig te maken, dat Gij mij voorstelt. Laten wij dus, o mijn ziel! de hemel betrachten en die hoogachten. Laten wij dat zalig verblijf aanzien als een kroon, die men moet winnen door het geweld dat wij onszelf aandoen, en als een vergelding, die men door een oprecht, bovennatuurlijk en verdienstelijk leven moet bekomen.

Gebed

God! wanneer zal ik, vrij van alle zinnelijke en aardse dingen, mij geheel in U opsluiten, mijn opperste en onzienlijk goed, om troost en heil voor mijn ziel te vinden? Wanneer zal ik in U, mijn Zaligmaker! dat zien wat ik geloof? Wanneer zal ik bezitten, wat ik bemin, en wanneer zal ik vinden wat ik zoek? Troost mij in mijn ballingschap, ondersteun mij in mijn kwellingen, en versterk mij in mijn verdriet. Kom, o Jezus! kom in mijn hart door de indruk van uw genade, van uw tegenwoordigheid en van uw liefde. Neem bezit en scheid nooit meer van mijn hart. Ik kwijn, ik haak en ik brand van begeerte om U in de hemel te zien. O, wanneer zal het gezicht het geloof vervangen, en zal de verwachting voor de ervaring plaats maken?

Hoe zwaar is het leven voor een ziel, die alleen U bemint, o Zaligmaker, en hoe een schrikkelijke marteling is het haar de last des levens te lijden! Neen, Heer! ik kan niet meer leven zonder U te beminnen, noch U te beminnen zoveel ik wens, zonder U te zien. Eindig dus mijn lijden en mijn leven af te breken! Spreek, mijn ziel, spreek tot uw God ; maar liever, o God! spreek Gij tot mijn hart, om het aan zichzelf te doen sterven, en het voor U alleen te doen leven. Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: