Spring naar inhoud

Over kuisheid en het 6de en het 9de gebod van de Decaloog

Onlangs viel mij een interessant boekje in handen over ‘Morele beschouwingen over vriendschap en liefde’, uit 1954, samengesteld door enkele Amerikaanse Jezuïeten. Daarin wordt gehandeld over kuisheid en voortplanting. Het kan nuttig zijn voor ieder die hiermee worstelt of vragen heeft…

Hoofdstuk 7: De voortplanting volgens Gods plan.

Gods bijzondere aandeel in het ontstaan van een menselijk wezen is vanzelfsprekend het scheppen van de ziel. Op het eerste ogenblik van zijn conceptie is dit stukje leven in het lichaam van de vrouw – ontstaan door de vereniging van twee uiterst kleine kiemcellen – een werkelijk menselijk wezen, met de rechten van een mens en de waardigheid van een mens, met een onsterfelijke ziel die gevormd werd naar Gods evenbeeld, en bestemd werd om het bovennatuurlijk leven van Christus te ontvangen en eeuwig te leven in vereniging met de Heilige Drie-eenheid. […] De ziel buiten beschouwing laten wil zeggen: geen plaats laten aan de kuisheid. Alleen wanneer wij de waardigheid van het kind onder ogen zien, erkennen wij de noodzaak en de zin van een zedenwet die voldoende rekening houdt met het juiste gebruik van de functies waardoor dat kind ter wereld komt. Wanneer wij de waardigheid van de ziel voor ogen houden, kunnen wij vaststellen dat de kuisheid niet louter een onderdrukking is van een natuurlijke aandrang, maar de bescherming van een heilig vermogen.

Hoofdstuk 8: middelen tot kuisheid

De kuisheid kan worden omschreven als de deugd die het gebruik van het voortplantingsvermogen regelt in overeenstemming met de beginselen van rede en geloof. Vele schrijvers drukken de definitie uit in termen van genot of begeerte, omdat juist in de mogelijkheid tot het genieten van het voortplantingsvermogen in het algemeen de mensen voert tot zonde tegen de zuiverheid. […]

Middelen tot beheersing.

Er zijn vele manieren waarop de zelfbeheersing op seksueel gebied kan worden getraind. Zonder ons te verliezen in al te veel technische details, willen wij hier toch enkele van de meest voor de hand liggende praktische punten aangeven, die op dit gebied in acht moeten genomen worden […] Wat de wil in het algemeen wél kan is zich onthouden van alle uitwendige handelingen waartoe deze dingen (seksuele prikkels) iemand kunnen aanzetten. Het komt slechts in uiterst zeldzame gevallen voor dat deze uitwendige handelingen geheel buiten het bereik van de wil vallen. In normale gevallen kan de wil standhouden en weigeren iets te doen wat tegen de zedigheid is. Soms kan zij zich door het zoeken van afleiding bevrijden van de gedachten en gevoelens. En altijd ook in uiterste gevallen kan de wil, wanneer de gedachten en aangename gevoelens niet verdreven kunnen worden, weigeren ze goed te keuren.

Hoofdstuk 9: Kuisheid: Gods wet

De leer van de Kerk.

Bij ons weten bestaat er geen kerkelijk document dat duidelijker of mooier de leer van de Kerk weergeeft dan de Encycliek over het Christelijk Huwelijk van Paus Pius XI (Casti Connubii). Hier volgt wat de paus zegt over ons onderwerp: “Eindelijk nog een punt dat wij niet mogen verzwijgen. Daar deze tweevoudige taak die aan de ouders tot welzijn der kinderen is toevertrouwd, zo eervol is en zo gewichtig, is alle eerbaar gebruik van het door God geschonken vermogen om nieuw leven te verwekken uitsluitend recht en voorrecht van het huwelijk, en moet het absoluut binnen de heilige grenzen van het huwelijk beperkt blijven. Dat is de wil van de Schepper, dat is de wet der natuur.” In deze woorden drukte de Paus slechts uit wat vanaf het eerste begin af de leer van de Kerk is geweest. De uitdrukking “wil van de Schepper” betekent: de wil van God zoals die tot uiting komt in zijn openbaring. De uitdrukking “wet der natuur” duidt aan: de wil van God zoal die geschreven ligt in de natuur zelf van de mens en die bindend is voor alle mensen, in alle tijden. De kuisheid is niet specifiek Christelijk of Joods, maar zij is specifiek menselijk. Volgens de katholieke leer geldt zij voor elk menselijk wezen van zijn ras of geloofsovertuiging.

De H. Schrift.

[…]

Sint Paulus noemt uitdrukkelijk (1 Kor. 9-19) de zonden van ontucht (de geslachtelijke betrekkingen tussen ongehuwden), overspel (seksuele betrekkingen tussen een gehuwde en een ongehuwde, of tussen twee gehuwden die niet elkaars echtgenoten zijn), zelfbevrediging (het tot eigen bevrediging misbruiken van het voortplantingsvermogen en de onkuisheid bedreven door personen van hetzelfde geslacht). Dan spreekt hij een algemene veroordeling uit van alle onkuisheid. Hij leert dat deze dingen uitsluiten van het koninkrijk Gods; zij zijn dus zware zonden. Hij geeft te verstaan dat het zelfs voor de heidenen zonden zijn, omdat de eerste Christenen zich ervan moesten reinigen in het Doopsel. Met andere woorden: zij zijn tegen de natuurwet omdat die de enige wet was die de heidenen hadden. Zij zijn zondig, omdat zij schendigen zijn van het eigen lichaam en bij een Christen komt daar nog bij de misvorming doordat men zich van “lidmaat van Christus” maakt tot lidmaat “van een deerne”, doordat men een lichaam schendt dat bestemd is om met Christus te verrijzen in heerlijkheid, doordat men de levende Tempel van de Heilige Geest ontwijdt. Kan men zich een verhevener opvatting van het lichaam denken en een sterker afkeuring van de onkuisheid?

[…]

Bewijs uit het gezond verstand

[…] In hetgeen wij reeds in dit boekje behandelden, hebben wij gezien dat het natuurlijke doel van het voortplantingsvermogen drievoudig is: biologisch; psychologisch en sociaal. Een korte herinnering aan de hoofdlijnen van deze drie doeleinden kan dienen als basis voor het bewijs dat wij gaan afleiden uit het natuurlijk verstand.

Biologisch gezien is de geslachtsdaad in zijn diepste wezen gericht op de voortplanting. Dit werd niet door de kerk uitgevonden, maar men kan het in elk wetenschappelijk handboek vinden. Er is bijvoorbeeld geen ingewikkelde gedachtegang voor nodig om te zien dat, wanneer een man zijn voortplantingsvermogen gebruikt, de processen die in gang worden gezet juist diegene zijn welke natuurlijker wijze uitlopen op het afscheiden van de mannelijke zaadcel. Even gemakkelijk is het in te zien dat de lichamelijke processen bij de vrouw uitsluitend bedoeld zijn als hulpmiddel bij het opnemen van de mannelijke zaadcellen en het vinden van een vrouwelijke eicel. Deze processen dus, en de daden waardoor ze veroorzaakt worden zijn gericht op de voortplanting; het is het enige wat de ouders vrijwillig bijdragen tot het verwekken van nieuw leven. Soms is nieuw leven er het gevolg van, soms ook niet; maar dit hangt van andere omstandigheden af, niet van de daad die de ouders stellen.

Wij hebben ook gezien dat vanuit het psychologisch gezichtspunt het gebruik van de seksuele vermogens niet bedoeld is al een louter dierlijke handeling, maar de uitdrukking en het hoogtepunt van een grote liefde. Wij hebben in de structuur van de vriendschap gezien hoe volgens het plan van de natuur, twee harten samensmelten in één verlangen naar volmaakte zelf-wegschenking aan elkaar, hoe de toewijding hieraan plechtig geschiedt in het huwelijkscontract (de verbintenis) en daarna plechtig bekrachtigd wordt door de geslachtsgemeenschap. Als deze lijn gevolgd wordt, bereikt de geslachtsgemeenschap zijn werkelijke psychologische doel: het is een liefdedaad die absolutie zelf-overgave is, niet voor een dag of voor een uur, maar voor het leven. Ten slotte staat de echtelijke geslachtsvereniging in dienst van een verheven sociaal doel. De lichamelijke vereniging is niet alleen de uitdrukking van de wederzijdse liefde van man en vrouw; zij is ook bedoeld als de versterking en bestendiging van die liefde. Zo staat zij in dienst van dit uiterst belangrijke doel: het waarborgen van de opvoeding der kinderen. […] God maakte hen (de kinderen) aldus en het regelde het zo, dat de wederzijdse en blijvende liefde van de ouders er niet alleen zou zijn voor hun eigen geluk en volmaaktheid, maar ook terwille van de kinderen. Daarom zeggen wij dat het doel van het huwelijk (en van de huwelijksdaad) niet alleen het verwekken van kinderen is, maar ook de opvoeding van de kinderen. Wij kunnen dit het sociale doel noemen van de voortplanting. Het zal niet nodig zijn, nog langer te blijven stilstaan bij dergelijke evidente waarheden. Evenmin zal het nodig zijn, de redenering die hieruit volgt, uitvoerig toe te lichten: dat namelijk alle gebruik van de voortplantingsvermogens buiten het huwelijk in strijd komt met één of meer van deze natuurlijke doeleinden en daarom zedelijk slecht is; en dat bovendien aangezien deze doeleinden van hoge waarde zijn, elke daad die er tegen in gaat, in hoge mate slecht is.

Geslachtsverkeer buiten het huwelijk gaat in tegen het sociale doel van de voortplanting. Dit sociale doel eist dat de seksuele betrekkingen beperkt blijven tot diegenen die verbonden zijn door de blijvende band van het huwelijk, want alleen zij die gehuwd zijn kunnen de juiste opvoeding geven aan het kind. Buitenechtelijk geslachtsverkeer is ook in strijd met het psychologische doel van de voortplantingsfunctie. Beide partijen voltrekken een daad die een volledige en wederzijdse zelfovergave insluit, maar zij bieden geen reële waarborg voor blijvende trouw. Die waarborg geeft enkel het huwelijkscontract (verbintenis). Wij behoeven nauwelijks op te merken dat als buitenechtelijk geslachtsverkeer slecht is, echtbreuk een nog groter zonde is, want ze sluit alle zondigheid van de eerste in, en is bovendien nog een schending van het huwelijkscontact. Het individueel gebruiken van de voortplantingsvermogens door seksueel genot te zoeken in uitwendige handelingen of prikkelende gedachten is slecht, omdat het zelfs ingaat tegen het biologisch doel van die vermogens. De lichamelijke processen worden op zulk een wijze in werking gesteld dat zij onmogelijk kunnen voeren tot het voortbrengen van kinderen. Het hetzelfde geldt voor onkuise handelingen met iemand van hetzelfde geslacht, én voor kunstmatige geboortebeperking. Dit alles druist in tegen het meest fundamentele doel van het voortplantingsvermogen: het verwekken van kinderen; daarom noemt men deze zonden tegennatuurlijke zonden. Dat wil zeggen dat zij zelfs in biologisch opzicht tegen de natuur zijn, en daarom zelfs aan de gehuwden ongeoorloofd zijn.

[…]

Hoofdstuk 10: Morele beginselen voor de praktijk.

Het negende gebod.

Het negende gebod verplicht ons tot kuisheid in gedachten (het verbiedt onkuise gedachten). Als wij spreken over kuisheid in gedachten, is het nodig een korte uitleg vooraf te laten gaan, alvorens wij de samenvatting geven. Er heerst op dit gebied veel misverstand. Allereerst moet men duidelijk inzien dat een gedachte niet zondig kan zijn, als zij niet vrijwillig is. Wij hebben geen volledige controle over onze verbeelding; dikwijls houdt zij hinderlijke beelden vast, wat wij ook proberen om ze kwijt te raken. Als dit het geval is, is er eenvoudig geen sprake van zonde. Ook moet men inzien dat niet alle gedachten over seksuele zaken zondig zijn. Op dit punt verschillen gedachten sterk van uitwendige handelingen die nooit mogen gesteld worden door ongehuwden. […] Het enige wat met betrekking tot gedachten volstrekt verkeerd is, is het denken aan een zondige daad en daarbij het zondige ervan goed te keuren. In het algemeen geschiedt dit op drie manieren. Enkele voorbeelden:

a) Een jongeman denkt aan de zonde van buitenechtelijke geslachtsgemeenschap met het bewuste verlangen of het voornemen die te bedrijven. Hij keurt hier de zonde goed, door er naar te verlangen of ze te willen.

b) Een meisje heeft een keer dezelfde zonde bedreven, en nu denkt zij terug aan die daad, en daarbij heeft ze bewust genoegen aan het feit dat ze die daad bedreef. M.a.w.: in plaats van spijt te hebben over die zonde, houdt ze er zich nu mee bezig in haar gedachten, en keurt bewust goed wat zij gedaan heeft.

c) Er is een andere jongeman die over dezelfde zonde van geslachtsgemeenschap denkt (buitenechtelijk). Hij heeft niet de opzet om werkelijk de uitwendige daad te stellen, hij keurt ook niet iets goed wat hij vroeger gedaan heeft, maar op het ogenblik heeft hij bewust genoegen in het zich verbeelden dàt hij die daad stelt. Hij keurt dus bewust een zondige daad goed door bewust genoegen te hebben in de gedachte dat hij ze stelt.

Merk op dat in elk van deze gevallen de zonde bestond in het bewust goedkeuren van een daad die zondig zou zijn als ze uitgevoerd werd. Was die daad op zich geen zonde, dan zou het ook niet zondig zijn ze goed te keuren in gedachten. Zo zijn uiteraard de huwelijksbetrekkingen niet zondig voor gehuwden; zij mogen er dus naar verlangen, en er achteraf genoegen in hebben. Wel zou het voor gehuwden gevaarlijk kunnen zijn er lange tijd mee bezig te blijven, want het zou kunnen blijken dat die gedachten te sterk prikkelend op de geslachtsdrift inwerken en dat zij bekoringen om te zondigen met zichzelf tengevolge hebben. Maar op zich genomen is de goedkeuring in gedachten niet verkeerd voor gehuwden, omdat voor hen de daden, waaraan zij denken, geoorloofd zijn.

Merk ook op hoe wij er steeds de nadruk op legden, dat gedachten zondig zijn als zij bewust de goedkeuring van het kwaad inhouden (bewust verlangen, bewust genoegen hebben in een bedreven daad, bewust zich verheugen op een nog te stellen daad). Dit is heel iets anders dan het onvrijwillig gevoel van goedkeuring of verlangen dat bijna iedereen ondervindt als hij zich bezig moet houden met de gedachte aan verschillende seksuele handelingen. Van nature oefenen deze zaken een zekere aantrekkingskracht uit op de lagere streefvermogens, maar daarom is die natuurlijke aandrang nog geen vrije wilsdaad.

Zware zonde: het bewust goedkeuren van onkuise handelingen; het zich bewust bezighouden met gedachten om de seksuele hartstochten op te wekken of te bevorderen (los van de geslachtsgemeenschap in het huwelijk); het zich bewust bezighouden met gedachten die het nabije gevaar meebrengen tot het stellen van een onkuise daad; tot het goedkeuren van zulk een daad; of tot het toegeven aan seksueel genot.

Dagelijkse zonde: denken aan seksueel prikkelende zaken zonder voldoende reden. Geen zonde: denken aan seksueel prikkelende zaken met een voldoende reden.

[…]

Hoofdstuk 11: enkele praktische toepassingen.

Lectuur.

Doodzonde: als iemand leest over zondige zaken en die goedkeurt; als iemand dingen leest die in zich goed zijn (vb. een boek over geneeskunde) met de bedoeling de seksuele hartstocht te prikkelen; als het lezen het nabije gevaar insluit voor zwaar zondige gedachten of begeerten, voor een zwaar zondige handeling of het toegeven aan seksueel genot.

[…]

Onvrijwillige seksuele prikkeling.

Als een praktisch hulpmiddel willen wij ten slotte nog enkele gevallen bespreken, die nogal dikwijls voorkomen en die vaak grote moeilijkheden kunnen opleveren, als men de principes niet kent die men in de gegeven omstandigheden moet volgen. Wij bedoelen het geval dat er zich seksuele gedachten en gewaarwordingen voordoen die geheel onvrijwillig zijn, die bvb. hun oorzaak vinden in vermoeidheid, in jeuk op een bepaalde plaats, zenuwspanning, werking van klieren van het lichaam, of andere oorzaken. Met andere woorden: zij komen min of meer vanzelf op en worden niet veroorzaakt door een daad die binnen onze macht ligt en die dus beoordeeld kan worden aan de hand van de beginselen die wij in dit hoofdstuk reeds hebben uiteengezet. Soms zijn deze gedachten en gewaarwordingen slechts van zeer korte duur, zoals het geval is met voorbijgaande gedachten en gevoelens, die opkomen bij bepaalde onwillekeurige blikken. Dan is het beste wat men kan doen: er geen aandacht aan schenken. In andere gevallen, vooral wanneer die onvrijwillige seksuele gedachten en gewaarwordingen ontstaan door lichamelijke oorzaken, zoals wij er enkele noemden, kunnen zij dikwijls zeer langdurig zijn en een bron van ernstige bekoringen vormen. Zij kunnen dikwijls bijzonder lastig worden als men tracht te rusten. Zij kunnen zich plotseling voordoen, maar het is ook mogelijk dat er een soort climax is na een periode van twee of drie dagen waarin men bespeurt dat men bijzonder gevoelig is voor seksuele prikkels. In dergelijke dagen van beproeving moeten de volgende regels voor de geest worden gehouden:

1) De genoemde onvrijwillige gedachten en gewaarwordingen worden eerst dan zwaar zondig als men ze volkomen vrijwillig maakt, door ze met opzet te bevorderen of ze welbewust goed te keuren en er genoegen in te vinden.

2) Zij zijn in het geheel niet zondig als men doet wat redelijkerwijze mogelijk is om de bekoring, die er uit voortkomt, van zich af te zetten. Dit redelijkerwijze doen wat men kan hangt af van elk individueel geval. In het algemeen moet iedereen een eenvoudig plan voor ogen hebben van wat hem in zulke gevallen te doen staat, zoals bvb. het volgende: stel een korte en kalme wilsakt: “Ik wil dit niet”; vraag in een kort gebed om genade, tracht de geest af te leiden op iets anders; iets interessants en vooral iets vrolijks; ga voor korte tijd een andere uitwendige bezigheid beginnen als dat mogelijk is. Dergelijke eenvoudige middelen kunnen door de meeste mensen worden toegepast zonder dat er enige nerveuze spanning mee gepaard gaat, en bij mensen die gewend zijn zich te beheersen, zijn deze maatregelen in het algemeen voldoende om de wil te vrijwaren van de zonde. Diegenen die zich zo ver hebben laten gaan, dat zij de gewoonte van te zondigen hebben aangenomen, zullen dikwijls energieker moeten zijn in hun verzet, en moeten in een periode als deze de sterkste motieven aanhalen om de kuisheid te handhaven. Mensen die gewend zijn een kuis leven te leiden, en die het slachtoffer worden van deze bekoringen (louter ten gevolge van de één of andere lichamelijke conditie) moeten zich ervan bewust zijn dat het noch verplicht, noch verstandig is zichzelf van slaap te beroven of dingen te doen die een nerveuze spanning kunnen verhogen, om te tonen dat zij niet willen toegeven aan deze gemoedsbewegingen. Zij bewijzen voldoende door één van de middelen te kiezen die wij hierboven vernoemd te hebben. Zolang zij hun wil beveiligen door dit soort dingen is de seksuele passie (die onvrijwillig is) evenmin zonde als hoofdpijn.

Dat dingen die zich kunnen voordoen terwijl men slaapt geen zonde kunnen zijn, spreekt vanzelf. Moeilijker wordt de situatie wanneer men halfwakker is. In het algemeen moet men zeggen dat iemand die niet volledig wakker is, geen voldoende bewustzijn heeft om een zware zonde te bedrijven. […] Men mag veilig vooropstellen dat personen die geregeld hun best doen, een kuis leven te leiden, in die omstandigheden geen zonde bedrijven.

Wordt vervolgd…

Bron: KELLY G. S.J., Vóór de drempel, morele beschouwingen over vriendschap en liefde, J.J. Romen en Zonen, Roermond en Maaseik, 1954 - Imprimatuur: W. FR. Feron, Vic. Gen. Roermond, 15 nov. 1953. (Origin. Titel: Youth and Chastity).

1 reactie »

Geef een reactie op Bart Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.