Spring naar inhoud

Een bezinning over de Hel

“Ze geloven niet in de Hel? Ze zullen in de Hel geloven als ze erin belanden!”

H. Pater Pio

Er is een Hemel, waar God en zijn Engelen en heiligen leven, maar ook een Hel, waar Satan en de verdoemde zielen vertoeven. Vele heiligen hebben de Hel gezien, en Jezus verwijst er regelmatig naar in het Evangelie. Vandaar eens deze uitvoerige bezinning over de Hel. 

De Hel is één van de “vier uitersten” van de mens: Dood – Oordeel – Hemel – Hel. De dood en het oordeel zijn voor iedereen. En dan komt men ofwel in de Hemel, ofwel in de Hel. Zeer weinig priesters spreken vandaag nog over de Hel, hoewel de Hel de uiteindelijke bestemming is van zeer veel mensen.

Satan bestaat, want Hij is de oorzaak van alle zonde en kwaad in deze wereld, en bijgevolg dus ook de Hel.

De val van de Engelen kwam vóór de Schepping van de mensheid. Satan en zijn demonen werden groen van jaloezie toen ze vernamen dat God de mens zou scheppen, en dat deze Gods aanschijn zouden genieten. Hij zwoer toen de mens tegen God op te zetten. En het lukte hem met de Zondeval van Adam en Eva. In deze zondeval zitten als het ware alle zonden van de wereld van het begin tot aan het einde vervat. En Christus moest ter wereld komen om voldoening te geven aan de Hemelse Vader voor deze zondeval en alle zonden van alle mensen. Dat wil niet zeggen dat iedereen automatisch gered wordt: ieder blijft verantwoordelijk voor z’n eigen zonden en dus moet ieder persoonlijk berouw hebben en vergeving vragen.

De zielen die met hun hart aan Satan hangen en hun hele leven met plezier zondigen, zullen als ze sterven, niet door Jezus gered worden en de Hemel binnengaan, maar de Hel, de verblijfplaats van Satan en zijn demonen.

De Hel werd niet geschapen voor de mens, maar voor de duivelen, als straf. Maar doordat Satan de val van de mens bewerkte, werd hij in staat om mensenzielen mee te sleuren naar het oord van verderf waar hijzelf werd in geworpen als straf. De strijd die zich nu afspeelt sinds de val van de mens is een strijd tussen God en Satan over de zielen van de mensen, en de wereld is het strijdtoneel. En God heeft ons wapens gegeven om de goede strijd te strijden: de 10 geboden, het Evangelie, de Sacramenten, het gebed (bvb. de Rozenkrans), sacramentaliën, etc.

God is oneindige volmaaktheid, goedheid, liefde, zuiverheid, schoonheid, pracht, harmonie, vrede, licht, geluk… Het is een verrukking om bij God te vertoeven, en dus is het niets anders dan een compleet volmaakte verrukking om in de Hemel te zijn: een plaats van waar genot – het genieten van God. Alle mensen en engelen zijn van nature uit bestemd om bij God te zijn, om Hem te genieten.

En zonder God is er geen geluk, liefde, vrede, enz. Dat alles is bij God in de Hemel, en dat is ook God. Dus zonder God is er enkel alles wat God niet is: het compleet tegenovergestelde. Er kan geen ander Paradijs of andere Hemel zijn, zonder en buiten God. Dat is onmogelijk.

Als de band met God geheel wordt doorgesneden, dan is dat voor eeuwig en altijd. En wat snijdt die band definitief door? In doodzonde sterven. Een doodzonde alleen kan nog vergeven worden tijdens het leven. Maar in doodzonde sterven, verzegelt definitief de bestemming.

Die plaats zonder God is de Hel, waar er enkel haat, wrok, duisternis, wanhoop, onvrede, gruwel, pijn en lijden is. En dat is in de meest extreme termen. Het geluk in de Hemel is onuitsprekelijk, maar het ongeluk in de Hel is evenzeer onuitsprekelijk. Het is een plaats van onzeggelijk lijden, en dat voor altijd en alle eeuwigheid, zonder ophouden, zonder pauze…

Beeld u in: voor altijd dat gebrul en gehuil van al die zielen die in de Hel zetten, de verschrikkelijke stank, de enorme hitte van het vuur dat brandt in de ziel, de duisternis, de wanhoop, het steeds maar aanschouwen van de eigen zonden, en de constante aanwezigheid van demonen die hun wraak en woede loslaten op die zielen en ze de ergste folteringen toebrengen: veel, veel erger dan de ergste folteringen hier op aarde. Er is geen moment van rust, geen ogenblik van verpozing, op adem komen, even een slokje water nemen of de pijn verzachten. Geen moment stilte of een moment dat men wat frisse lucht kan inademen. Neen, nooit. Nooit, voor immer en eeuwig. Altijd maar door… onophoudelijk! Er komt nooit meer een einde aan. Nooit krijgt men een tweede kans. Nooit komt men er nog uit.

Is dat niet verschrikkelijk? En het sterke is: het is God niet die de mens in de Hel werpt, maar de mens zelf die zijn bestemming kiest door zijn vrije wil. Diegenen die dus in de Hel zitten kunnen niet zeggen dat het niet door hun eigen schuld was.

Dat is de reden waarom de heiligen die de Hel mochten aanschouwen, van ontzetting zouden gestorven zijn, moesten ze niet door God ondersteund geweest zijn.

Visioenen over de Hel

De Duitse zieneres Anna Katharina Emmerick beschreef de Hel als volgt:

“Zoals in het verblijf van de gelukzaligen alles gevormd is overeenkomstig de grondslagen, beginselen en verhoudingen van de oneindige vrede, van de eeuwige harmonie en verzadiging, zo bevindt zich in de Hel alles in de wantoestand van de eeuwige toorn, onenigheid en verdeeldheid. Zoals de hemel een stad is met onuitsprekelijk schone, doorzichtige, afwisselende gebouwen der vreugde en der aanbidding, zo is in de Hel eveneens een stad van ontelbare kerkers in grote verscheidenheid en van krochten (= onderaards hol) der kwelling, der vervloeking en der wanhoop. Gelijk in de hemel de wonderbaarste tuinen zijn, vol vruchten van de goddelijke verkwikking, zo strekken zich in de Hel de gruwelijkste woestijnen en moerassen uit, vervuld met ongedierte, met pijn en kwelling en met alles wat huivering, walg en ontzetting wekt. Ik zag tempels, altaren, vestingen, tronen, landschappen, meren en stromen van vervloeking, haat, gruwel, vertwijfeling, verwarring, pijn en marteling, zoals ik in de Hemel hetzelfde zag, doch hier waren het allemaal werkelijkheden van zegening, liefde, eendracht, blijdschap en zaligheid. In de Hel de verscheurende, eeuwige tweespalt onder de verdoemden, in de hemel de gelukzalige eendracht, de gemeenschap van alle heiligen.

Het wezen, de essentie van alle kwaad en onwaarheid vertoonde zich in de Hel in ontelbare gedaanten, beelden en uitwerkselen van lijden en marteling. Niets was hier in verhouding, schoon of juist, zoals het van nature moest zijn; geen gedacht was hier waar of in overeenstemming met het verstand, behalve de gedachte aan de goddelijke Rechtvaardigheid, de gedachte dat elke verdoemde die pijn en foltering oogst, die hijzelf door zijn zonden gezaaid of geplant heeft. Al het verschrikkelijke immers dat zich hier vertoonde of gedaan werd, was het wezen, de kern, de essentie, de belichaming, de innerlijke boosheid van de ontmaskerde zonde, van de slang die zich keert tegen hen die haar dragen en voeden in hun boezem.”

De zieners van Fatima mochten de Hel aanschouwen tijdens de verschijning in juli 1917. Zuster Lucia verhaalde daarover in 1941 aan de bisschop van Leira:

“O.L.Vrouw opende de handen waaruit bundels licht schoten: zij doorboorden de grond en toonden ons een grote zee van vuur die zich onder de aarde scheen te bevinden. Ondergedompeld in dat vuur dreven de duivelen en de zielen rond als lichtende en bruine kolen in mensengedaante – nu eens omhooggejaagd door de vlammen die uit henzelf uitsloegen, samen met de wolken van rook, dan weer van alle zijden neerregenend, zoals het neervallen van vonken bij grote branden, zonder gewicht of evenwicht, te midden van kregen en gehuil van smart en wanhoop, die deden ijzen en beven van schrik. De duivelen onderscheidden zich door hun afschuwelijke en weerzinwekkende gedaante van monsterachtige en onbekende, maar doorschijnende en zwarte dieren. Dit gezicht duurde een ogenblik en wij moeten onze goede Moeder bedanken Die ons te voren beloofd had ons naar de Hemel te brengen. Anders zouden wij gestorven zijn van ontzetting en schrik.”

Verder zei ze:

“Sommige mensen, zelfs vrome, willen aan hun kinderen niet spreken over de Hel, om ze niet bang te maken; maar God heeft niet geaarzeld om ze te tonen aan drie kleine kinderen, waarvan één slechts zeven jaar, en toch wist Hij dat zij zodanig ontzet zouden zijn, dat ze, ik zou haast zeggen, bijna van schrik stierven. Jacinta ging vaak peinzend op een steen of op de grond zitten en zei: “O die Hel! Wat heb ik een leed om de zielen, die naar de Hel gaan! En die mensen daarin, die als stukken hout levend branden in het vuur!” En met bevende stem bad ze, geknield en met gevouwen handen, het gebed dat O.L.Vrouw ons geleerd had: “O mijn Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons voor het vuur van de Hel. Breng alle zielen naar de Hemel, vooral diegenen die het meeste hulp nodig hebben.”

De H. Zuster Faustina kreeg ook de Hel te zien:

Afdaling in de hel
Eind oktober 1936 moest zuster Faustina afdalen in de Hel, plaats van de verschrikkingen, om daarover te berichten. Zij schrijft in haar dagboek: “Vandaag werd ik door een engel in de diepten van de Hel gebracht. Het is een plaats van grote kwellingen, ze is geweldig uitgestrekt. De soorten kwellingen, die ik zag, zijn de volgende: – De eerste kwelling waaruit de Hel bestaat, is het verlies van God; – De tweede: de voortdurende gewetenswroeging; – De derde: deze toestand verandert nooit meer; – De vierde: het vuur doordringt de zielen zonder ze te vernietigen; dat is een verschrikkelijk lijden; het is een zuiver geestelijk vuur, dat voortkomt uit Gods toorn; – De vijfde kwelling: de constante duisternis en een vreselijke stank. Ondanks de duisternis zien de duivelen en de verdoemde zielen elkaar. Ze zien al het kwaad van de anderen alsook dat van henzelf; – De zesde kwelling: het onafgebroken gezelschap van Satan. – De zevende kwelling: de verschrikkelijke wanhoop, de haat tegen God, de godslasteringen, vloeken en scheldwoorden. Dat zijn kwellingen, waar alle verdoemden gemeenschappelijk onder lijden, maar dat is nog niet alles. Er zijn nog speciale kwellingen voor de afzonderlijke zielen, namelijk; de kwellingen van de zintuigen. Iedere ziel ondergaat verschrikkelijk en onbeschrijflijk lijden, dat verband houdt met de manier waarop zij gezondigd heeft. Er zijn vreselijke spelonken en martelputten, waarin de vorm van foltering verschillend is.

Alleen al bij het zien van deze ontzettende straf zou ik gestorven zijn, als de almacht van God mij niet ondersteund had. De zondaar moet weten dat hij de hele eeuwigheid gemarteld wordt met het zintuig, waarmee hij zondigt. Ik schrijf hierover op bevel van God, zodat geen enkele ziel de uitvlucht kan gebruiken dat de Hel niet bestaat of kan zeggen dat daar nooit iemand geweest is en men niet weet hoe het daar is. Ik, zuster Faustina, was op bevel van God in de diepten van de Hel om de zielen te vertellen dat de hel bestaat en daarvan te getuigen. Ik kan daar nu niet over spreken, want God heeft bepaald, dat ik dit schriftelijk moet nalaten. De duivels hadden een grote haat tegen mij, maar op bevel van God moesten zij mij gehoorzamen. Wat ik opgeschreven heb, is slechts een zwakke afspiegeling van de dingen, die ik zag. Een ding viel mij op, daar zijn voornamelijk zielen, die niet geloofd hadden dat de Hel bestaat. Toen ik weer terug was, kon ik me niet herstellen van de schrik, hoezeer de zielen daar lijden. Daarom bid ik nu nog vuriger voor de bekering van de zondaars. Ik smeek zonder ophouden om Gods barmhartigheid voor hen.”

En de gestigmatiseerde zienster van Onkerzele zei:

De verdoemde zielen lijden heel andere pijnen, maar nog veel verschrikkelijker dan de zielen van het Vagevuur. De oorzaak is dat ze weten dat het hun eigen schuld is, dat ze in staat van verdoemenis zijn gekomen, en dat aan hun toestand niets of niemand iets kan veranderen. Hun pijnen gaan elke verbeelding te boven. Indien ze konden, zouden ze zich op ieder ogenblik vernietigen. De grote kwelling, dat het namelijk door hun eigen schuld is dat ze in dit oord van verdoemenis moeten vertoeven, heeft hen tot voortdurende razernij gebracht. […] Nog pijnlijker voor hen is te weten dat hun toestand eeuwig zal duren. De vergelijking tussen het kort genot dat ze hier op aarde hebben gesmaakt, de zonde namelijk, die hen ten verderve voerde en die hen nietig schijnt tegenover de onuitsprekelijke straf met de daaraan verbonden pijnen, en dat voor de eeuwigdurende eeuwigheid, verhoogt hun razernij op onuitsprekelijke wijze. […] De Hel is zo gemakkelijk te verdienen: men hoeft zich slechts te laten meeslepen met de stroom van de wereld om erin te komen!”

De Hel in het Evangelie

In het Evangelie wordt verschillende malen door Jezus verwezen naar de Hel.

Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die en ziel en lichaam in het verderf kan storten in de Hel.  (Matt. 10,28)

Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht en in het vuur verbrand, zo zal het ook gaan op het einde van de wereld. De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven om hen in de vuuroven te werpen, waar geween zal zijn en tandengeknars.  Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon. Wie oren heeft, hij luistere. (Matt. 13,40-43)

Over het Laatste Oordeel zegt Jezus:

Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals toch de mensen in de dagen voor de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag, waarop Noach de ark binnenging,  en zij niets vermoedden, totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het ook gaan bij de komst van de Mensenzoon.  Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten; twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.
   Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen. zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur, waarop gij het niet verwacht. Wie is dus de trouwe en verstandige knecht, die de heer over zijn dienstvolk heeft aangesteld om hun op tijd het eten te geven?  Gelukkig die knecht als de heer bij zijn komst hem daarmee bezig vindt. Voorwaar, Ik zeg u: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. Maar is die knecht slecht en zegt hij bij zichzelf: mijn heer blijft nog wel een poosje weg,  en begint hij de andere knechten te slaan en eet en drinkt hij met dronkaards, dan zal de heer van die knecht komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur dat hij niet kent; en hij zal hem vierendelen en hem het lot doen delen van de huichelaars. Daar zal geween zijn en tandengeknars. (Matt. 24, 37-51)

En:

En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. (Matt. 25,41)

En zo staan er nog heel wat verwijzingen in het Evangelie, maar we sommen ze hier nu niet allemaal op.

God zorgde voor een voorbeeld van de twee wegen die men kan kiezen, bij de Kruisdood van de Heer Jezus, toen naast Hem twee moordenaars werden gekruisigd: twee zondaars, twee boosdoeners die zware zonden op hun kerfstok hadden.

Maar de één had diep berouw en bad de Heer om aan hem te denken wanneer Hij in zijn Koninkrijk zou komen. En de Heer verzekerde Hem dat hij óók in zijn Koninkrijk zou zijn: “Vandaag nog zul je met Mij zijn in het Paradijs”. Maar de ander verachtte de boetvaardigheid, had geen berouw en sprak verwensingen uit. Beiden zijn dan gestorven: de één is naar de Hemel gegaan en nog heilig geworden door zijn grote boetvaardigheid en zijn vertrouwen op Gods barmhartigheid; de ander is verdoemd geworden. De één naar de Hemel, de ander naar de Hel.

Er zijn de zonden tegen de H. Geest. Zonde tegen de H. Geest is een zonde begaan uit loutere boosheid, niet uit zwakte of drift, en gaat recht in tegen de genade van de H. Geest en de goddelijke barmhartigheid. De zes zonden tegen de H. Geest zijn (cf. Catechismus ten gebruike van de bisdommen van België, 1954):

  1. aan de goddelijke genade en aan zijn zaligheid wanhopen
  2. op de goddelijke barmhartigheid zonder deugden of goede werken vertrouwen
  3. de welbekende waarheden van het geloof bestrijden
  4. de deugd van de naaste benijden
  5. hardnekkig zijn in de boosheid
  6. het berouw of de boetvaardigheid verachten.

Iedereen die in de Hel komt is uiteindelijk schuldig aan minstens één van deze zonden, en vooral dan de laatste twee. Wie volhardt in de boosheid, blijft maar door zondigen zonder te denken (en de wil te vormen) om ermee op te houden, en die veracht in principe reeds de boetvaardigheid. 5 en 6 hangen dus samen. Maar diegene die volhardt in de boosheid, en het berouw veracht, kan ofwel aan Gods barmhartigheid wanhopen (“ik heb teveel gezondigd, ik ben een te slecht mens, voor mij is er geen redding meer”), ofwel vermetel vertrouwen op Gods barmhartigheid (“ik zondig verder, God is toch oneindig barmhartig en Hij zal mij wel redden”; of: “de Hel bestaat toch niet, dus waarom zouden we ons aan de geboden moeten houden?”).

Echter zonder berouw van de kant van de zondaar is er geen barmhartigheid, en dus geen vergeving van de zonden. Het berouw kan op ieder moment in het leven komen, hoe zwaar men ook gezondigd heeft, hoeveel en hoe lang men ook gezondigd heeft. Altijd is er berouw mogelijk, zelfs op het moment dat men sterft (cf. de ‘goede’ moordenaar aan het kruis).

Hoe dan ook, iedereen in de Hel is schuldig aan een zonde tegen de H. Geest (niet noodzakelijk lastering van de H. Geest). Maar wie in de Hel terecht komt – doordat die zichzelf tot de Hel veroordeelt omdat deze volhardt in de boosheid en het berouw veracht – komt in wezen in een onveranderlijke toestand van voortdurend zondigen tegen de H. Geest.

Want wat kenmerkt al diegenen die in de Hel zitten? Ze rebelleerden tegen God door zijn geboden te overtreden (Gods geboden staan in wezen geschreven in een ziel, in het geweten; zelfs bij diegenen die niet de ware Godsdienst aanhangen: zoals: gij zult niet doden, of gij zult geen overspel plegen; wie dat doet voelt wroeging, tenzij het geweten reeds volledig is verdoofd door het opeenstapelen van andere zonden), en ze bleven hardnekkig in de boosheid en ze verachtten de boetvaardigheid, tot op het stervensmoment, tot in de dood. En nu neergedaald in de Hel haten ze God (daar is enkel haat) en volharden ze aldus in de boosheid – de toestand waarin ze reeds op aarde waren, wordt verdergezet in de Hel. Ze voelen dan wel een soort gewetenswroeging over hun op aarde begane zonden, maar ze bevinden zich eveneens in een toestand van volkomen wanhoop, en het berouw wordt bovendien veracht. Ze doen niets anders dan vloeken, schelden, hun volkomen haat tegenover God uiten. Berouw bestaat in de Hel niet, en Gods barmhartigheid en genade wordt voor eeuwig verworpen, omdat men in een voortdurende toestand van zonde tegen de H. Geest zit.

Een verdoemde ziel wordt een beetje zoals een demon. In een onveranderlijke toestand blijven ze maar door zondigen, en dit voor alle eeuwigheid – omdat een ziel eens door God geschapen, eeuwig blijft bestaan. Maar terwijl ze in die toestand van zonde blijven, wordt de ziel ook onuitsprekelijk gefolterd vanwege het verlies van God; de aanwezigheid van de demonen die de zielen folteren omdat iedereen elkaar haat in de Hel; het vuur en de andere straffen omwille van de zonde. De Heer noemde het in het Evangelie een plaats van “geween en tandengeknars”.

Satan weet wel dat hij uit de Hemel is verbannen, en zou graag terug keren, maar hij weigert berouw te tonen. Hij is één en al hoogmoed – de hoofdzonde die de moeder is van alle andere zonden. En die onveranderlijke toestand van hoogmoed – en dus rebellie tegen God – verhindert dat daar nog één iemand – hetzij een duivel, hetzij een verdoemde ziel – uit komt.

1 reactie »

  1. Een mooie bezinning, die ons een heilzame schrik zou moeten inboezemen, en ontzag voor God’s Wet. Al was het maar om die verschrikkingen te ontgaan.
    Toch wil ik een kanttekening maken over de ervaringen van Zr. Faustina.
    Ze zegt dat het vuur wat de zielen foltert een louter geestelijk vuur is, wat van God’s Toorn uit gaat, maar het is in tegenspraak met de Katechismus, die juist leert dat het Hellevuur een stoffelijk vuur is, en niet geestelijk.
    Vandaar dat veel theologen veronderstelden dat de Hel in het binnenste van de Aarde is, omdat daar ook een stoffelijk vuur aanwezig is.

    Like

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.