Een bezinning over het lijden van de Heer Jezus – uit de visioenen van A.K. Emmerick

Een fragment uit de visioenen van de Zalige Anna Katharina Emmerick over het Lijden van Jezus, ten einde te bezinnen over welke folteringen onze Zaligmaker allemaal heeft moeten doorstaan:
(Jezus is zopas voor Herodes verschenen). Zij geleidden de Zaligmaker dan op een grote plaats, waar zij Hem met mishandelingen en bespottingen overlaadden. Deze plaats was tussen de vleugels van het paleis besloten, en Herodes aanschouwde alles, gedurende enige tijd, van een plat dak. Annas en Caïphas beproefden nog door alle bedenkelijke middelen van hem aan te sporen Jezus te veroordelen; maar Herodes zei tot hen, op een wijs dat hij van de Romeinen kon gehoord worden: “Het zou voor mij de grootste misdaad zijn, van Hem te veroordelen.” Hij wilde ongetwijfeld zeggen: “De grootste misdaad tegen het oordeel van Pilatus, die de beleefdheid heeft gehad van Hem voor mij te zenden.”
De prinsen der priesters en de vijanden van Jezus, ziende dat Herodes niet in hun inzichten wilde treden, zonden enige van hen, goed van geld voorzien, naar de wijk van Acra, om aan verscheidene Farizeeërs, die zich aldaar bevonden, te zeggen van zich met hun aanhangers in de omstreken van het paleis van Pilatus te begeven. Zij deden ook geld onder de menigte uitdelen, ten einde deze aan te sporen om de dood van Jezus woelig te vorderen. Anderen werden gelast, het volk met de verbolgenheid des hemels te bedreigen, zo men de dood van deze “heiligschennende godslasteraar” niet vroeg. Zij moesten er bijvoegen dat, zo Jezus niet stierf, hij zich met de Romeinen zou verenigen om de Joden te verdelgen, en dat dit het rijk was waarvan hij aldus gesproken had. Elders verspreidden zij het gerucht, dat Herodes Hem veroordeeld had, maar zij voegden erbij dat het volk zijn wil moest uiten; dat men de aanhangers van Jezus vreesde; dat, zo Hij verlost werd, het feest door Hem en de Romeinen, welke een wrede wraak zouden nemen, zou gestoord worden. Zij brachten ook de tegenstrijdigste geruchten en die meest in staat waren om te verontrusten, in omloop, ten einde het volk te verbitteren en tot oploop aan te zetten; enige onder hen gaven ondertussen geld aan de soldaten van Herodes, opdat zij Jezus zodanig zouden mishandelen dat Hij zou sterven, voordat Pilatus hem vrijsprak.
Terwijl de Farizeeërs alzo samenspanden, had onze Heer de wreedheden te onderstaan van een onbeschoft soldatenrot, waaraan Herodes hem overgeleverd had. Zij duwden Hem op de plaats en één van hen bracht een grote witte zak die zich in de kamer van de portier bevond en waarin weleer katoen was geweest. Men maakte er een gat in, en wierp hem onder een schaterend gelach, op het hoofd van Jezus. Een ander van die soldaten bracht een vod van een rode stof, welke men Hem om de hals deed; de zak hing breed uit, tot op zijn voeten. Alsdan bogen zij voor Hem neer, sloegen Hem, beledigden Hem, bespogen hem; zij sloegen Hem in het aangezicht, omdat Hij hun koning niet had willen antwoorden; zij bewezen Hem duizenden spotachtige hulden, wierpen slijk op Hem, trokken Hem, als om Hem te doen dansen, Hem daarna ter aarde geworpen hebbende, sleurden zij Hem in een riool die rondom de plaats liep, zodat zijn geheiligd Hoofd tegen de kolommen en de hoeken van de muren sloeg; daarna richtten zij Hem op en begonnen nieuwe beledigingen.
Er bevonden zich aldaar ongeveer tweehonderd soldaten en dienaars van Herodes, lieden van alle gewesten, en ieder van hen roemde zich, voor zichzelf en voor zijn landgenoten, van een nieuwe smaad voor Jezus uit te vinden. Dit alles geschiedde temidden van het gewoel en het onbeschaamdste getier. Enige van hen waren door de vijanden van Jezus omgekocht, om Hem stokslagen op zijn geheiligd Hoofd toe te brengen. Jezus aanzag hen met een gevoel van medelijden. De smart ontrukte Hem zuchten en gejammer, maar zij vonden daarin gelegenheid om hem te bespotten, door zijn stem na te bootsen; bij elke versmading barstten zij in een luid gelach uit, en niet één had medelijden met hem. Zijn Hoofd was geheel bebloed, en ik zag Hem driemaal ter aarde neervallen; maar ik zag ook als Engelen, die zich over hem neerbogen en zijn Hoofd zalfden; en er werd mij geopenbaard dat de slagen, zonder deze hulp van boven, dodelijk zouden zijn geweest. De Filistijnen die Samson, blind zijnde, in de steengroef van Gaza folterden en pijnigden, waren minder woedend en wreed, dan deze mensen.
Bron: Het smartvol Lijden van onze Heer Jezus Christus, volgens de beschouwingen van Anna Catharina Emmerich, religieuse der orde van de H. Augustinus van het klooster van de Agnetenberg te Dulmen. Turnhout, Glenisson en van Genechten, Uitgevers – Imprimatur: Mechlinae, 12 Marti 1846, J.B. Pauwels, Vic. Gen.





