Spring naar inhoud

Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick over het Oud Verbond: X. Noë en de Zondvloed (1)

Ik zag Noë als een oud eenvoudig man in lang wit gewaad gehuld, wandelen in een boomgaard en met een krom benen mes de bomen snoeien. Er daalde een wolk voor hem waarin een mensengestalte verscheen. Noë knielde, en ik zag dat hij ingekeerd werd, dat God alles wilde verdelgen en dat hij een ark zou bouwen. Ik zag Noë daarover treuren en bidden om vergeving. Hij begon niet dadelijk zijn werk. Nog tweemaal verscheen hem de Heer en beval hem te beginnen met de bouw, zoniet zou hij ook mee verdelgd worden. Ik zag hem dan met zijn familie uit die streek wegtrekken naar het land, waar Zoroaster, de glanzende ster, nadien geleefd heeft. Zoroaster, ook Zarathustra, was een oud-Perzisch profeet. Zijn herkomst en zijn levensdata zijn onbekend. Hij was bekend als wetgever. Hij woonde in een hoog woudrijk en eenzaam gebied, en leefde met de vele mensen die met hem wegtrokken, onder tenten. Hij had ook een altaar, waarvoor hij offerde.

Noë en zijn familie bouwden geen vaste huizen, omdat ze aan de belofte van de Zondvloed geloofden; het goddeloze volk rondom had reeds ommuurde hoven, grondvesten van dikke stenen muren en allerlei duurzame en weerstandige gebouwen.

Er was in die tijd een vreselijke gewoonte op Aarde. De mensen bedreven alle ondeugden, zelfs de onnatuurlijkste. Iedereen nam en roofde wat hem beviel, en ze verwoestten elkanders huizen en velden en roofden vrouwen en jonge meisjes. Hoe meer de stamverwanten van Noë zich uitbreidden, hoe bedorvener en boosaardiger de mensen werden, hen beroofden en ergerden. In die grote zedeloosheid waren de mensen niet als ruwe, wilde mensen, maar ze waren zo uit ondeugdzaamheid; want ze leefden heel fatsoenlijk en alles was ordelijk. Ze beoefenden de gruwelijkste afgoderij, iedereen maakte zich een afgod uit datgene wat hem het best beviel. Zij zochten door duivelse kunst de kinderen van Noë te verleiden. Mosoch, de zoon van Jafet en kozijn van Noë, werd zo ten val gebracht, daar hij op het veld werkend het sap van een plant gedronken had, waarvan hij dronken werd. Het was geen wij, maar sap van een plant waarvan die mensen onder het werk in kleine hoeveelheden dronken en waarvan zij de bladeren en vruchten ook kauwden. Mosoch werd de vader van een zoon, die Hom genoemd werd.

Als het kind geboren werd, vroeg Mosoch aan zijn broer Thubal om het kind aan te nemen, zodat zijn smaad verborgen bleef; en Thubal deed het uit liefde. Het kin werd met de stengel en de spruit van de slijmwortel hom door zijn moeder voor de tenthut van Thubal gelegd, die daardoor een recht op zijn erf verwachtte; maar de vloed was reeds nabij en het was gedaan met de vrouw. Thubal gaf hem de naam van de wortel hom, omdat die als enig teken bij hem lag. Dat kind is niet met melk, maar met deze wortel gevoed geworden. Die plant wordt, waar zij groeit, wel mansgroot; maar waar ze kruipt, daar krijgt ze scheuten met zwakke toppen, zoals de asperges; het onderste deel is hard. Ze dient als voedsel en vervanging van melk. Zij groeit uit een knol of ajuin, heeft boven de aarde een kroon met enkele bruine bladeren. Haar stengel wordt tamelijk dik en het merg wordt als meel gebruikt, dat tot brij gekookt, dun gestreken, en gebakken wordt. Waar zij groeit, woeker ze uren ver weg. Ik zag die plant ook in de ark.

Het duurde heel lang vooraleer de ark klaar kwam. Noë stelde het bouwen dikwijls vele jaren uit. Driemaal werd hij door God opnieuw vermaand; dan nam hij terug helpers aan, maar liet, in de hoop dat God op zijn bedreiging zou terugkomen, het werk terug inslapen, tot hij eindelijk de bouw afmaakte.

Ik zag dat aan de ark, zoals aan het huis, vier soorten hout te pas kwamen: palm-, olijf-, ceder- en cypressenhout. Ik zag dat hout vellen en bereiden ter plaatse zelf, en hoe Noë zelf het hout op zijn schouders naar de bouwplaats droeg, zoals Jezus zijn kruis zou dragen. De bouwplaats was een heuvel, omgeven door een dal. Eerst werd onderaan de grond gelegd. De ark was achteraan rond, de grond was hol zoals een kuip en werd gepekt. De ark had twee verdiepingen, de stutten stonden in twee rijen tegenover elkaar. Ze waren hol, het waren geen ronde boomstammen, en in doorsnee ongeveer langwerpig rond en hadden inwendig een wit merg dat vezelachtig naar het midden toeging. De stammen hadden gootjes of onderbrekingen, waaraan rondom grote bladeren groeiden gelijk ronde struiken zonder takken (wellicht een soort palmboom). Ik zag dat ze met een stamper het merg eruit stootten. Al het andere sneden zij tot dunne planken. Toen Noë alles erheen gedragen had en geordend, begonnen zij alles te bouwen. De grond werd gelegd en gepekt, de eerste rij stutten werden opgesteld en de openingen, waarin ze kwamen te staan, gepekt. Dan kwam de tweede vloer, daarop terug een rij stutten, dan de derde vloer en het dak. De tussenruimten tussen de stutten werden met dunne planken uit bruin en geelachtig hout kruisgewijze toegevlochten en alle barsten en openingen met boomwol, planten en een wit mos, dat rond zekere bomen veel groeide, toegestopt en langs buiten met pek overstreken. Ze werd boven ook rond toegevoegd; hoger dan halve hoogte in het midden der zijde was de deur en aan beide zijden van die deur twee vensters, in het midden van het dak was een vierkantige opening. Toen ze gans gepekt was, glansde zij als een spiegel in de zon. Noë werkte nog lang gans alleen binnenin aan de afdelingen voor dieren. Elke diersoort had een afzonderlijke ruimte, gescheiden van de andere en door het midden van de ark liepen twee gangen.

Achteraan in het rond gedeelte van de ark was een houten altaar waarvan de tafel een halve ronde vormde. Rondom hingen tapijten. Vóór het altaar was een bekken met kolen; dat was hun vuurhaard. Rechts en links waren ook scheidingswanden voor hun slaapvertrekken. Nu droegen ze allerlei gereedschappen, kisten, veel granen, gewassen en struiken die in de aarde zaten binnen, en plaatsten ze langs de wanden van de ark, die er gans groen van waren. Ik zag ook wijnstokken met grote gele druiventrossen binnengedragen worden.

Onuitsprekelijk is het lijden dat Noë onder het bouwen te verduren had door de boosheid en snoodheid van de arbeidslieden, die hij met vee betaalde. Zij verachtten en bespotten hem op alle manieren en noemden hem een dwaas. Zij werkten om het goed loon, maar hielden niet op te lasteren. Niemand wist voor wie Noë de ark bouwde en daarom leed hij veel hoon. Ik zag, toen hij klaar was en God dankte, hoe God hem verscheen en zei dat hij naar de vier windstreken moest gaan en de dieren roepen met een fluit

[Noot: de continenten waren toen wellicht nog niet opgebroken; dat gebeurde pas tijdens de Zondvloed; vóór de Zondvloed was er dus slechts één supercontinent Pangea.]

Clase 20: El gran continente Pangea

Hoe dichter de tijd van de straf naderde, hoe donkerder de hemel werd. Er was een ongehoorde schrik op aarde; er scheen geen zon meer en er roffelde steeds een zware donder.

[Noot: vergelijk met wat Jezus zegt over het einde der tijden in het Evangelie van afgelopen zondag (Luc. 21,25-33): “Daar zullen tekenen zijn in zon en maan en sterren en op de aarde benauwdheid onder de volken, verbijsterd door het bruisen van zee en golven, terwijl de mensen het zullen besterven van de schrik, in afwachting van wat de wereld zal overkomen.”]

Ik zag Noë met een fluit een stuk weegs naar de vier windstreken gaan en fluiten; daarop zag ik de dieren in orde en paarsgewijze, mannetje en wijfje, op een brug welke aan de deur lag en nadien opgetrokken werd, binnengaan; de grote dieren, witte olifanten en kamelen, gingen voorop. Al de dieren waren bang als voor een onweer, en zij gingen daarbij meerdere dagen lang. De vogels vlogen voortdurend door het open luik naar binnen; de watervogels gingen echter onderaan in de romp van het schip; de landdieren in de middelste ruimte. De vogels onder het dak zaten op stokken en in kooien. Van het slachtvee kwamen steeds zeven paar binnen.

(Wordt vervolgd)

Bron: De Geheimen van het Oud Verbond, naar de visioenen van Anna-Katharina Emmerick; vertaald uit het Duits naar de dagboeken van Clemens Brentano; Uitgave van de vrienden van AK Emmerick; Mechelen, 1985

2 Comments »

  1. Beste Michael,

    Dank je wel voor dit stuk. Helaas kan ik geen Duits lezen, anders had ik t allang gekocht. Ik ben er blij mee. Past echt nu in deze eindtijd…….

    Hartelijke groet,

    Joanna

    Verstuurd vanaf mijn iPad

    >

    Like

Laat een reactie achter op Rita Braem Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: