Spring naar inhoud

De Heilige Willibald

Het moet wel een zeer merkwaardig volk zijn geweest, dat volk, dat in de vroege middeleeuwen de Britse eilanden bewoonde: barbaren, Germaanse barbaren, sinds 600 door een invasie van Benedictijner monniken gekerstend, maar geen barbaren in de traditionele zin, want aanstonds bloeiden daar kunsten en wetenschappen, onder leiding van Romeinse Benedictijnen eerst, dan onder de aanvoering van eigen inlandse clerus, Benedictijnen geworden naar Romeins voorbeeld; een Engelse Militia Christi, met honderd jaar gereed de wereld te veroveren voor Christus op dezelfde voorname wijze als het Insula Dei, Gods own country, veroverd was: Kloosters stichten en van daaruit de heidense nabuurschap onder het juk van Christus brengen. Ze bezaten er een natuurlijke dispositie voor, zij en het Keltische buurvolk, de Ieren, met wie zij Christendom en beschaving gemeen hadden en uitwisselden. Beide volken beoefenden hartstochtelijk de literatuur, beide hadden een onlesbare dorst naar wetenschap, vooral naar de gewijde wetenschappen. Zelfs de vrouwen. En zij waren godsdienstig, deze Angelsaksen. ’s Morgens verenigde zich de familie om het grote houten kruis, dat vóór het huis was geplant. Daar deed de huisvader het morgengebed met de huisgenoten. Daar ook werd de rondtrekkende priester aangehoord en zijn zegen ontvangen.

In zulk een familie werd ten jare 700 Sint Willibald geboren als oudste zoon van – sommigen zeggen “Koning” – Richard en oudste broer van Sint Wunibald en Sint Walburgis. Toen hij, drie jaar oud, ernstig ziek werd, beloofden zijn ouders, als hij genas, hem ter opvoeding aan één der kloosters af te staan. Hij werd oblaad van het klooster Waltham, waar abt Egwald hem toevertrouwde aan de leiding van de monnik Theodoret, die hem de kloosterlijke scholing en opvoeding geven zal.

In hem bruist het Angelsaksische levensgevoel. Vroom is hij, maar het klooster houdt hem nog niet vast: hij heeft er geen geloften gedaan, die hem aan de abdij binden. De stabilitas in loco is al het minst in staat hem te bekoren. De wereld wil hij zien, ook buiten de grenzen die de kustlijn van zijn eiland voor hem trok. Het was een oude Angelsaksische eigenschap, nog versterkt door een oeroude Keltische gewoonte, die hem ertoe dreef. Met zijn vader Richard, zijn broeder Wunibald en nog enkele andere gezellen ondernam hij in de zomer van 720 een pelgrimage vanuit Sussex, het Zuid-Saksenland, naar Rome. Zij – als zovelen vóór hen – gingen er hun trouw betuigen aan de Vader der Christenheid, juist zoals hun landsman en bloedverwant Sint Bonifatius in een roerende, vaste bekentenis schriftelijk had gedaan, éér hij zijn grote Duitse missiewerk begon en welke hij aan de opvolgende pausen hernieuwde.

Sint Richard werd onderweg ziek en stierf te Lucca, waar hij in het klooster Sint Frigidan werd begraven; zijn zonen zetten hun tocht voort naar Rome, waar zij op 11 november 720 aankwamen. Daar bleven zij de winter over. Na Pasen 721 trok Sint Willibald met twee gezellen als pelgrim naar het H. Land, terwijl zijn broeder ziek te Rome achterbleef. Deels per schip, deels te voet, bereikten de pelgrims na een moeilijk jaar het eiland Cyprus, vanwaar zij overstaken naar Tortosa op het vasteland. Vandaar gingen zij naar Emesa (Homs), waar zij gevangen werden gehouden als spionnen. Een koopman die hun terwille was, trachtte tevergeefs hen los te kopen; doch hij bewees hun vele diensten en wist, met behulp van een Spaanse kamerdienaar van de koning tenslotte passen voor hen los te krijgen. Dan bereikten zij Syrië en over Damascus en de Libanon het H. Land, waar zij alle geheiligde plaatsen bezochten. Zij doorkruisten het land in alle richtingen en verbleven vier maal in Jeruzalem. Honger en dorst, koude en ziekte leden zij er, en als smokkelaars hield men hen gevangen.

Na hun tochten in het H. Land gingen zij naar Constantinopel, waar zij twee jaar bleven en van waaruit zij o.a. Nicea bezochten, waar zij de afbeeldingen van de Concilievaders in de mozaïeken der kerk bewonderden. Van Constantinopel gingen de pelgrims in gezelschap van de pauselijke nuntius terug naar Italië. Zeven jaar had de reis geduurd.

Maar dan gaat de zwervende Angelsaks naar het Benedictijnerklooster Monte-Cassino, waar de abt Petronax hem opneemt in de communiteit. Daar kan hij zijn reisindrukken laten bezinken, en in deze school voor de dienst des Heren zijn grote gaven gaan ontwikkelen, om later te kunnen woekeren met de talenten welke God hem toevertrouwde.

Tien jaar bleef hij in de rust van de Italiaanse bergen zijn klooster dienen. Om zijn meer dan gewone bekwaamheden plaatste zijn abt hem al spoedig in het bestuur van het klooster, en de laatste acht jaar bracht hij er door in het voor een Benedictijnerklooster zeer gewichtige en door de Regel hooggeschatte ambt van portier. Hij zou daar zeker tot zijn dood gebleven zijn, getrouw aan zijn gelofte om te volharden in het klooster zijner aanneming, zo zijn abt hem in 738 niet als gids met een Spaanse priester naar Rome gezonden had. Toen Paus Gregorius III vernam dat Willibald in Rome was, ontbood hij hem bij zich, en liet hem zijn reis in het H. Land verhalen. Als ook Sint Bonifatius, die voor de derde maal in Rome de belangen van zijn Germaanse missie met de Paus kwam bespreken, vernam, dat Willibald bij de Paus was geweest, deed hij aanstonds moeite om deze Angelsaks voor zijn missie te winnen.

De Paus beval Sint Willibald met Bonifatius mee te gaan, maar Sint Willibald stelde zijn medewerking afhankelijk van de toestemming van zijn abt; doch de Paus ontsloeg hem van de gelofte der stabiliteit en zo reisde hij met deze apostel der Duitsers naar het noorden. Zij trokken over Lucca, Parma en Brixen naar Beieren, waar zij naar hertog Odilo gingen. Deze bracht hen in kennis met graaf Suitgar die met hen naar Lindrath ging. Daar wees Bonifatius de omgeving van Eichstätt als Willibalds toekomstig arbeidsveld aan. In de kerk van O.L.Vrouw wijdde hij Willibald tot priester op Sint-Magdalendag van het jaar 740.

Met drie reisgenoten uit Rome werkte Willibald daar aan de bekering der heidenen en de verbetering der Christenen. Aanstonds stichtte Sint Bonifatius, als hoofd der Germaanse missie, en geholpen door vele gegoede inwoners, een aantal kloosters, die even zovele centra van godsdienst en beschaving werden. Ook hier kregen aanvankelijk Angelsaksische Benedictijnen de leiding in de mannen-, zowel als in de vrouwenkloosters. Van daaruit werd het land ontgonnen en werden de geesten beschaafd. Aan die talrijke kloosterlijke nederzettingen en aan hen alleen heeft Duitsland zijn Christendom en zijn beschaving te danken.

In 741 wijdde Sint Bonifatius zijn vriend en medehelper tot Abt van het klooster te Eichstätt en tot wijbisschop voor het land tussen de bisdommen Augsburg en Regensburg: de Nordgau. Deze wijding vond plaats in Sülzenbrucken (volgens andere bronnen Salzburg). Hier zag hij ook zijn broeder Wunibald terug, die in Thüringen in Bonifatius’ missiegebied werkte.

Omstreeks deze tijd riep Sint Bonifatius nieuwe hulptroepen uit Engeland naar zijn missie. Onder de talrijken die aan zijn oproep gehoor gaven, waren een zestal adellijke jonkvrouwen, waarbij wij, naast Sint Lioba, ook de zuster van Sint Willibald, Sint Walburgis, genoemd vinden. Zo waren de drie kinderen van Sint Richard de Angelsaks na hun zwerftochten weer verenigd in hun arbeid voor het Godsrijk. De arbeid door Sint Bonifatius en zijn landgenoten in Zuid- en Midden-Duitsland voor de kerk verricht, droeg rijke vrucht. Om dit succes te consolideren, moesten de kerken en kloosters ook in dit gebied in het organische geheel van de Kerk worden opgenomen, zodat de inlandse clerus, waaraan Sint-Bonifatius al zijn zorgen besteedde, dit werk kon voortzetten in eenzelfde trouw aan de traditie als Sint Bonifatius met zoveel nadruk aan de h. Stoel had beloofd. Bij de vastlegging van deze organisatie werd ook het bisdom Eichstätt opgericht en Sint Willibald als eerste bisschop aangesteld. Dat gebeurde in 745.

Europa omstreeks het jaar 700

De vijf voorafgaande jaren van rusteloze werkzaamheid hadden Eichstätt een gans ander aanzien gegeven. Gesteund door graaf Suitgar hadden Willibalds krachtige woorden en nog meer zijn heilig voorbeeld het volk aangetrokken en rond klooster en kathedraal samengebracht. Daar werd het op Benedictijnse manier tot het Christendom opgevoed. In 748 stichtte Willibald te Heidenheim twee kloosters. Aan het hoofd van het vrouwenklooster plaatste hij zijn zuster Walburgis; tot abt van de mannenabdij stelde hij zijn broer Wunibald aan.

In december 761 voelde Wunibald zijn einde naderen. Hij ontbood Willibald en deze kwam op 18 december te Heidenheim aan. Nog diezelfde dag stierf Wunibald, en werd door Willibald in de kloosterkerk van Heidenheim begraven. Willibald belastte nu Sint Walburgis ook met het zakelijke bestuur van de Heidenheimse mannenabdij. Zestien jaar later, nadat er reeds veel wonderen bij Wunibalds graf waren geschied, in 777, verhief Willibald de relieken van zijn broer en stelde ze in de kerk ter verering uit. Sint Walburgis stierf in 779 en werd in de Heidenheimse kerk naast haar broer Wunibald begraven. Op 7 juli 787 stierf tenslotte ook Willibald een heilige dood.

Hij behoorde tot het geslacht der sterken, voor wie geen moeite teveel was. In zijn laatste jaren verlangde hij wel naar de hemelse rust, verhaalt zijn levensbeschrijfster, één der nonnen uit Heidenhem; maar zegt ze, onze heilige vader-bisschop was ook bereid nog wel langer de moeiten en zorgen van het apostelambt te dragen, zolang het voor het volk Gods noodzakelijk was. De derde dag na zijn dood werd hij in de crypte van zijn kerk begraven. De verering, die hij reeds tijdens zijn leven had ontvangen, zette zich nu voort in vurige aanroepingen om zijn voorspraak in de Hemel. De wonderen die ook bij zijn graf geschiedden, werden algemeen bekend, en de toeloop naar dit graf werd, vooral in de tiende eeuw, steeds groter. En zijn sterfdag was reeds lang in Eichstätt een grote feestdag geworden. Later, in 1265, werden de relieken van de drie heiligen weer verenigd in reliekschrijnen in Eichstätt. Tot op heden bevinden ze zich in de Eichstättse kathedraal, achter het Sint-Pietersaltaar – sindsdien het Willibaldskoor geheten.

Huidige kloostergebouwen van Heidenheim – heden in protestantse handen, waar het eerste klooster door Sint Willibald werd gesticht.

Bron: Met de heiligen het jaar rond, deel III, Uitgeverij Paul Brandt, Bussum, 1949

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.